De Republiek

Toepassen hoofdstuk 1 / antwoorden HAVO

1a Doordat het is afgegraven in heel smalle stroken, veel kleiner dan de weidegrondjes aan de linkerkant (in de polder).

1b De bodem begon in te klinken (te zakken), het grondwater kwam naar boven.

1c Het graan dat nodig was voor de eigen voedselvoorziening moest uit het buitenland gehaald worden. Mede daardoor ontwikkelde Holland zich tot een handelsgewest. Veel Hollandse boeren trokken naar de steden en zochten een bestaan in de handel, visserij of nijverheid. Mede dankzij de verstedelijking richtten de boeren die overbleven zich op productie van intensieve gewassen en veeteelt (zuivel vooral) voor de nabijgelegen steden.

2a De waterschappen regelden het waterbeheer, zoals het onderhoud aan dijken en sluizen. Het waterschap legde boeren in zijn gebied heffingen op. Met dat geld konden gespecialiseerde dijkwerkers worden ingeschakeld. Dat was een grote verbetering, want vóór de komst van waterschappen onderhield elke boer zijn eigen stukje dijk. Nu konden boeren zich volledig aan hun boerenbedrijfje wijden.

2b Door de overstromingen werd op veel plaatsen akkerbouw onmogelijk. Grote delen van Holland werden in de 15e en 16e eeuw weer woest en verlaten. Veel plattelandsbewoners vluchtten naar de steden. Zo droegen de overstromingen en de crisis op het platteland dus bij aan de verstedelijking (urbanisatie) van Holland.

2c Ja, het was daar zowel een oorzaak van als een gevolg. Doordat Dordrecht en Amsterdam de rol van stapelmarkt gingen spelen, trok dat nieuwe handel en nijverheid aan, waardoor nog meer mensen werk vonden in en rond de steden.

3a Zout (bron 6), haring (bron 7). Uit het Oostzeegebied (bron 5) kwam vooral graan en hout.

3b - positie akkerbouw in Nederland: De Hollandse en Zeeuwse bodem was niet geschikt voor grootschalige graanbouw. Holland was ook te verstedelijkt om met de eigen landbouw alle monden te kunnen voeden. Er moest dus graan worden ingevoerd vanuit andere gebieden. In het Oostzeegebied kon graan worden ingekocht tegen gunstige prijzen (de grootgrondbezitters daar lieten hun land bewerken door horigen; zij maakten dus niet veel kosten, het graan was goedkoop). Van dat graan werd Holland volledig afhankelijk; mede daarom zorgde Holland ervoor dat het de Sont (en daarmee de Oostzee) militair onder controle had, en dat bevorderde dan weer de handel, ook in andere producten dan graan.

- verbetering scheepvaart: De Hollanders en Zeeuwen moesten voor het vervoer van bulkproducten uit de Oostzee (hout, graan) grote, veilige en toch snelle schepen ontwikkelen. Dat lukte ze, en die technische voorsprong maakte het mogelijk een leidende rol in de (Oost)zeehandel te spelen.

- oprichting partenrederijen: Om in de altijd riskante handel op zee de risico’s per koopman te beperken, richtten kooplieden samen partenrederijen op: een club van mensen die allemaal een deel van een schip bezaten (en elke koopman dan van meerdere schepen). Eén gezonken schip betekende dan dat het verlies samen gedeeld kon worden.

4a Specerijen (Portugezen, uit Indië); zilver (vanuit Duitsland en Midden-Europa).

4b Een onbedoeld gevolg. De Portugezen en Spanjaarden trokken er niet op uit om van Antwerpen een handelscentrum te kunnen maken; ze kozen ervoor hun Aziatische koopwaar (vooral specerijen) in Antwerpen te verkopen omdat ze daar betaald konden worden met zilver dat uit Midden-Europa werd aangevoerd. Toen de Spanjaarden zelf steeds meer zilver uit Zuid- en Midden-Amerika haalden, verplaatsten de Portugezen hun specerijenhandel eenvoudigweg naar Sevilla (in Zuid-Spanje), omdat daar het Amerikaanse zilver heen ging.

4c Toen de Spanjaarden Amerika ‘ontdekt’ hadden en daar al snel grote hoeveelheden zilver vandaan haalden, hadden de Portugezen het zilver uit Antwerpen niet langer nodig en verplaatsten zij hun specerijenhandel naar de Spaanse stad Sevilla.

5a Met Spaanse furie wordt bedoeld het wrede en woedende (furieuze) tekeergaan van muitende Spaanse soldaten in Antwerpen in 1576, en ook wel het wrede Spaanse optreden leger na de Val van Antwerpen in 1585. Antwerpen had na de moordpartij door het muitende Spaanse leger in 1576 de kant van de opstandelingen gekozen; toen Antwerpen in 1585 weer in Spaanse handen viel, werd de bevolking voor dit ‘verraad’ genadeloos gestraft. Op de afbeelding is te zien hoe Spaanse soldaten weerloze Antwerpenaren afslachten.

5b Vlak voor en na de val van Antwerpen in 1585 besloten tienduizenden Antwerpse kooplieden en handwerkslieden naar het noorden te vluchten om de Spaanse plundering bezetting te ontlopen. Mede door de blokkade van de Schelde door Zeeuwse en Hollandse schepen waren de economische vooruitzichten in Antwerpen slecht. Door de massale vlucht liep de bevolking van Antwerpen terug van tachtigduizend personen in 1582 tot veertigduizend in 1589. In 1612 was er sprake van enig herstel: mede door het Twaalfjarig Bestand dat in 1609 was overeengekomen, waren de vooruitzichten in en voor Antwerpen iets verbeterd.

5c Van de veertigduizend Antwerpenaren die na 1585 hun stad ontvluchtten, ging een groot deel naar Amsterdam. Onder hen waren veel handlaren en ambachtslieden; zij brachten hun kennis, kapitaal en vakmanschap mee. Mede hierdoor nam Amsterdam de positie als grootste handelscentrum van Europa over. Dat kwam de bloei van de handel in heel Holland ten goede.

6 Holland kende een sterk ontwikkelde commerciële landbouw: de boeren produceerden voor de markt. Ze deden dat met kapitaal- en arbeidsintensieve producten, zoals tuinbouw, vetweiderij (veeteelt), zuivel en industriële handelsgewassen als hennep, vlas en koolzaad. Die specialisatie was mede mogelijk doordat graan, het hoofdvoedsel van de Hollandse bevolking, in grote hoeveelheden voor een betaalbare prijs werd ingevoerd vanuit het Oostzeegebied.

Bron 12 laat veeteelt en zuivel zien; bron 13 laat zien dat de akkers klein waren: geen uitgestrekte graanvelden, maar arbeids- en kapitaalintensieve landbouw. Ook de vele rechte sloten zijn karakteristiek voor de Hollandse landbouw.

Toepassen hoofdstuk 2

1a (1) In de Republiek wonen veel mensen op een klein stuk grond. Dat zorgt voor een hoge grondprijs, en dat maakt alle levensbehoeften duur, en dat leidt onder de bevolking tot soberheid en ijver – en die eigenschappen zorgen voor economisch succes.

(2) De Republiek is te klein om zelf alles voort te brengen wat nodig is om haar eigen inwoners in leven te houden, en omdat de Republiek aan zee ligt hebben de Nederlanders zich op de overzeese handel gestort.

1b Mening. Niemand wordt als handelaar geboren.

Ook goed: ‘Geboren handelaars’ is bedoeld als uitdrukking voor ‘het gaat ze goed af’. Veel inwoners van de Republiek (met name die in de kustprovincies) groeiden op met handel om zich heen; ze zullen er best wel bedreven in zijn geweest. Letterlijk is de uitspraak van Temple een mening, maar er zit een kern van waarheid in.

1c Aan één bron kun je geen feiten ontlenen; je zult eerst ‘bewijs’ van ook andere bronnen moeten vinden.

In het verhaal van Temple zitten wel beweringen die met andere bronnen bewezen kunnen worden en dus als feiten mogen gelden, bijvoorbeeld: De Hollanders bezitten meer scheepsruimte dan de rest van Europa, ze halen hun vlas, hennep, pek, hout en ijzer uit het buitenland, evenals de wol, het graan, enzovoort.

2a De volgende combinaties: a5, b3, c2, d7, e6, f4, g9, h1, i8.

2b De voorsprong van de Republiek op technisch gebied: de uitvinding van de fluit (bron 2), een schip dat meer lading kon vervoeren dan andere schepen en toch snel en (relatief) veilig was. Handig aan de fluit was ook dat de oppervlakte van het dek kleiner was dan het ruim (op zijn breedste punt), want over dat dekoppervlak moest bij doorvaart van de Sont belasting betaald worden.

3a Met moedernegotie wordt bedoeld: de basis en oorsprong van alle andere handelsactiviteiten; de belangrijkste handel, waar andere handel van afhankelijk is en uit voortkomt. Voor de Republiek was de Oostzeehandel de ‘moedernegotie’: in geldwaarde (bron 5) en ook als bron van werkgelegenheid (bron 4).

3b De Nederlands veroverden met een agressieve (militaire) aanpak handelsposten in Azië op de Portugezen (bron 6). Ook het aantal werknemers van de VOC (die alleen op Azië voer) vormt een aanwijzing van haar sterke positie in de handel op Azië: dat aantal nam toe van 2000 in 1610, kort na de oprichting van de VOC (1602), tot 11 000 in 1725.

3c Weerlegd: de omvang van de Oostzeehandel was in 1610 vele malen groter dan de VOC-handel: vanuit de Oostzee werden overwegend bulkgoederen (zoals graan en hout) aangevoerd, de VOC - die in 1610 pas acht jaar bestond - handelde overwegend in specerijen. Doordat de Oostzeehandel zoveel groter was, vormde ze een grotere bron van werkgelegenheid, zowel voor zeelieden als op de wal (scheepbouw en verwante bedrijfstakken).

3d De overzeese handel naar verre, exotische oorden als Indië en Amerika, met alle militaire wapenfeiten die daarbij hoorden (bron 6), spreekt meer tot de verbeelding dan het in grote hoeveelheden verschepen van graan en hout vanuit Europa zelf. Over de VOC en WIC zijn dan ook talloze verhalen overgeleverd, over de Oostzeehandel niet of nauwelijks. (Ze bestaan misschien wel, maar zijn niet tot op vandaag ‘levend’ gehouden.)

Dat in de overlevering weinig aandacht is voor het alledaagse (in dit geval de ’gewone’ Oostzeehandel) en veel aandacht voor het bijzondere (in dit geval de VOC-handel) is in de geschiedschrijving een bekend verschijnsel; het is iets om altijd rekening mee te houden.

4a Door zijn gunstige ligging aan de Zuiderzee (waardoor Amsterdam een waterverbinding had met zowel de Noordzee als met de IJssel, die weer aansloot op andere waterwegen in Europa) en op een centraal punt van handelsroutes tussen Engeland, Oostzeegebied, Duitsland en Zuid-Europa, werd Amsterdam een centrum van handel. Die positie als handelsstad trok veel andere bedrijvigheid aan, waaronder scheepsbouw en allerlei financiële dienstverlening. De handel was daarmee een bron van werkgelegenheid, en dat trok duizenden migranten – uit de Republiek zelf maar ook uit andere landen – naar Amsterdam.

4b Aan de textielnijverheid. Leiden was na Lyon het grootste centrum van textielnijverheid in Europa.

4c Nee, want het inwonertal van Amsterdam groeide dan wel snel (vooral tussen 1647 en 1672), maar de groei van de andere steden was bescheiden – hun inwonertal liep na 1672 zelfs iets terug. Uit de omvang van de zes belangrijkste Hollandse steden alléén kun je geen conclusies trekken over economisch succes van de 17e eeuw.

5a Hout moest van ver gehaald worden. Dat zorgde voor hoge transportkosten. In de Republiek was volop turf aanwezig (turf werd gewonnen uit ingeklonken veen) en door het uitgebreide waternetwerk was het vervoer ervan naar de nijverheidscentra (waar veel werd gestookt) goedkoop.

5b Waar turf werd afgegraven of weggestoken, ontstonden sloten. (Door het hoge grondwater was dat vaak onvermijdelijk; de afgegraven grond was te laag en te drassig om er nog iets anders mee te doen.) Dankzij die sloten konden dan weer nieuwe veengebieden worden afgegraven; zo ‘boorde’ de turfstekerij zich steeds verder tot in alle hoeken en gaten van de (veengebieden in) de Republiek.

5c Beide verschijnselen waren iets typisch Nederlands, althans, de grote schaal waarop het gebeurde. Elders in Europa werd ook wel turf gestoken en uiteraard ook wel eens een kanaal gegraven, maar nergens ontstond zo’n wijd vertakt netwerk van waterwegen als in de Republiek.

6a De meeste turf werd gebruikt in de brouwerij, pijpenmakerij, distilleerderij, aardewerkindustrie en suikerraffinage. Maar ook in de meeste andere takken van nijverheid die in bron 12 genoemd worden, werd turf gebruikt.

6b De suikerraffinage. De WIC kocht in Afrika (onder mer) slaven, verkocht deze aan plantagehouders in Amerika en bracht (onder meer) de daar verbouwde suiker naar de Republiek, waar het werd geraffineerd tot fijne, zuivere suiker.

6c De nijverheid die in bron 12 wordt opgesomd kon alleen ontstaan en voortbestaan doordat de te bewerken grondstoffen van buiten de Republiek werden aangevoerd, want in de Republiek zelf waren die grondstoffen niet voorradig. Ook voor de verkoop van nijverheidsproducten buiten de Republiek was de handel belangrijk. Handel en nijverheid gingen dus hand in hand, waarbij handel meestal de ‘levensader’ vormde voor de nijverheid.

Toepassen hoofdstuk 3

1a De gewesten waren soeverein, baas in eigen huis dus. Binnen de gewesten hadden de meeste steden een grote mate van zelfstandigheid. Elk gewest stelde zijn bestuur (Staten) op zijn eigen manier samen; in Holland bijvoorbeeld hadden de steden het voor het zeggen, in de oostelijke gewesten bezette de adel de helft van de zetels. Elk gewest had een stadhouder in dienst, die zelf bestuurders kon benoemen (baljuws, schouten en schepenen); de hoogste ambtenaar was de raadpensionaris.

De gewesten werkten samen in de Staten-Generaal. Belangrijke besluiten werden daar alleen genomen als alle gewesten vóór waren, wat tot moeizame besluitvorming leidde. De Staten-Generaal bemoeide zich alleen met zaken van gemeenschappelijk belang, zoals de verdediging van het land en de handelsvloot. Doordat de gewestelijke Staten soeverein waren, kun je de Republiek een statenbond noemen: een samenwerkingsverband tussen vrijwel volledig zelfstandige staten.

Binnen de Staten-Generaal was de hoogste ambtenaar van het gewest Holland – het met afstand rijkste en in inwonertal grootste gewest – in praktijk de invloedrijkste man.

1b In Spanje en Frankrijk lag de soevereiniteit (hoogste macht) bij de koning, die het bestuur zoveel mogelijk had gecentraliseerd. Gewone burgers hadden er weinig invloed op het bestuur. In de Republiek lag de soevereiniteit bij de afzonderlijke gewesten, een koning was er niet eens (van centralisatie was dus geen sprake), en de meeste bestuursposten waren in handen van ‘gewone’ (zij het zeer welgestelde) burgers.

1c Sonck zat lange tijd in de vroedschap van zijn eigen stad (Hoorn), waar hij maar liefst vijfmaal tot schepen en zevenmaal tot burgermeester benoemd werd. Ook werd hij afgevaardigd naar de Staten van Holland (= gewestelijke staten) en, vanuit die Staten van Holland, naar de Staten-Generaal in Den Haag. Tot slot trad hij ook nog toe tot de Raad van State en tot de admiraliteit in zijn regio. Sonck bekleedde dus een onophoudelijke reeks bestuursposten, besturen was voor hem een beroep geworden.

2a Spanje had in 1590 een deel van zijn soldaten uit de Republiek weggehaald omdat deze nodig waren in de oorlog die het tegen Frankrijk ging voeren. Dat bood de Republiek kans om militair en financieel ‘op adem te komen’ en in het offensief te gaan.

2b In 1648 (de Vrede van Münster).

2c Maastricht, en alle niet genoemde Nederlandse steden in het lichtbruine deel van de kaart, zoals Den Bosch, Eindhoven, Venlo, Roermond, enzovoort.

2d Oostende en Turnhout. (Lingen ging in de 18e eeuw verloren aan Pruisen.)

3a Particularisme is het stellen van eigen (in dit geval gewestelijke) belangen boven het gemeenschappelijk belang. Het willen uitbreiden van je grondgebied om sterker te staan tegenover een ander gewest is daar een voorbeeld van.

3b Ja. Als je het gemeenschappelijk belang voorop stelt, en alle andere gewesten zijn vóór vrede, leg je je daarbij neer. Als je dat niet doet en je recht op onafhankelijkheid – ‘wij bepalen zelf wel wat wij van die vrede vinden en trekken ons van de meerderheid niets aan’ – voorop stelt, is dat een voorbeeld van particularisme.

4a De Republiek had met afstand de grootste handelsvloot van Europa en vervoerde daarin vrijwel uitsluitend zaken die van elders werden aangevoerd (de Republiek zelf bezat nauwelijks grondstoffen). Het is overduidelijk dat deze bepalingen de Republiek het hardst zouden treffen.

4b Mercantilistische politiek houdt in dat een land zijn eigen economie probeert te versterken door de handel en nijverheid met belastingen (invoerrechten) te beschermen tegen buitenlandse concurrentie. Bron 6 laat zien hoe Engeland vreemde handelaren probeert te weren. Bron 7 laat zien hoe Frankrijk zijn invoerrechten op Hollands laken steeds verder verhoogde; zo probeerde het zijn eigen lakenindustrie te versterken.

4c De aanleiding. Een handelsconflict tussen de Republiek en Engeland ‘hing in de lucht’, maar het afkondigen van de Acte van Navigatie was de gebeurtenis die er de aanzet toe gaf.

4d Nee. Engeland werd gedwongen de Acte van Navigatie in te trekken, maar binnen tien jaar vaardigde het opnieuw zo’n wet uit (en opnieuw leidde dat tot oorlog). Vanuit Engels oogpunt was de Republiek te overheersend in de handel om dat zo te laten; het stond de groei van de Engelse economie in de weg.

5 Politieke factor: De zelfstandigheid en onaantastbaarheid van steden. Zij konden zich militair verdedigen door het omringende land onder te laten lopen, én de Staten-Generaal hadden bijvoorbeeld over Amsterdam niets te zeggen. Dat maakte de stad een veilige haven voor immigranten, niet alleen werkzoekenden maar ook mensen die hun bezit wilden overbrengen naar een veilige plaats.

Economische factor: De Republiek trok veel kapitaal aan (mensen die hun geld wilden beleggen). Dat bevorderde de bedrijvigheid en zorgde voor veel werkgelegenheid.

Cultureel-mentale factor: De vrijheid en tolerantie: iedereen gaat zijn eigen gang en bemoeit zich met zijn eigen zaken. Voor politieke of religieuze vluchtelingen is dat een hele vooruitgang. De Franse hugenoten uit bron 8 vluchtten dan ook naar de Republiek.

6 Je eigen antwoord. bijvoorbeeld:

Achter op wat of wie? Achterlopen bij tegenwoordig, dat is een vreemde vergelijking; wij leven drie tot vier eeuwen later en de omstandigheden waarin wij leven zijn compleet anders.

Achterlopen op andere landen in die tijd dan? Dat kun je op basis van deze bron niet zeggen. Het enige wat je kunt zeggen is dat er in de Gouden Eeuw aan armenzorg werd gedaan, en dat de verzorgingsstaat in zekere zin op die ‘traditie’ voortbouwt.

7 Dat beeld klopt niet, of hooguit ten dele. In de Gouden Eeuw behoorde bijna zeventig procent van de bevolking tot de volksklasse, waarvan een groot deel als ongeschoolde loonarbeider voor wie het bestaan nooit helemaal zeker was; ziekte of tegenslag was voldoende om in de bedeling terecht te komen. Zelfs als je tot de kleine burgerij behoorde kon je door dat lot getroffen worden. Een zekere welstand was dus maar voor een beperkt deel van de bevolking (hooguit een derde) weggelegd.

Wel kun je zeggen dat de volksklasse in de Republiek het waarschijnlijk iets beter had dan de volksklasse in andere Europese landen – maar dat is iets anders dan ‘zekere welstand’.

Toepassen hoofdstuk 4 / antwoorden

1 Moedernegotie (Oostzeehandel): Het aantal Nederlandse schepen dat door de Sont voer nam fors toe (bijna een verdrievoudiging tussen 1720 en 1780, zie bron 3), maar de buitenlandse concurrenten haalden de Republiek toch in. De onbetwiste dominantie van de Republiek in de Oostzeevaart en de graanhandel ging dus verloren – al vervoerde Nederland in 1780 nog de helft van al het graan dat vanuit het Oostzeegebied werd aangevoerd (zie bron 4).

Koloniale handel: De VOC had in 1770 tweemaal zoveel mensen in dienst als in 1680 (zie bron 2). De WIC voerde slaven naar Amerika en nam plantageproducten mee terug. Dat wijst erop dat de koloniale handel in de 18e eeuw toenam. Het ging goed.

Visserij: De werkgelegenheid in de haringvisserij en walvisvaart nam in de 18e eeuw af ( zie bron 2); dat wijst erop dat het met de visserij niet goed ging: de visserij ging achteruit.

Nijverheid: Bron 1 toont een bedrijvige VOC-werf aan het begin van de 18e eeuw; bron 6 en 7 laten echter zien hoe de Leidse textielnijverheid en de Zaanse houtverwerking in hoog tempo teloorgingen. Bron 8 bevestigt dat patroon: in de 18e eeuw werden nauwelijks nog octrooien verleend. Dat duidt op weinig technische ontwikkeling. Het ging gaandeweg de 18e eeuw dus (veel) slechter met de nijverheid, zeggen deze bronnen.

2a De Republiek dankte een groot deel van haar economische bloei aan de stapelmarkt in Amsterdam en aan de grote rol die met name de kustprovincies speelden in de koopvaardij (ook het vervoer van buitenlandse goederen). De voorbijlandvaart hield in dat handelaren goederen direct vanuit een buitenlandse haven naar buitenlandse afnemers brachten, daarmee de Amsterdamse stapelmarkt passerend. Dat scheelde flink aan inkomsten.

2b Na de vrede van 1648 had de Europese landbouw zich hersteld; met name Duitsland en Frankrijk produceerden steeds meer graan. Daardoor daalden de graanprijzen. Bovendien hoefden andere landen voor hun graan niet meer bij de Republiek aan te kloppen.

2c Doordat – door de toegenomen productie in met name Duitsland, Frankrijk en Engeland – de graanprijzen waren gedaald. Op het (door)verkopen van graan werd dus steeds minder verdiend.

3a Nee. In het begin van de Gouden Eeuw (17e eeuw) werden veel octrooien verleend (veel meer dan vóór die tijd), dus uitvindingen gedaan en aangemeld, maar vanaf 1625 trad een scherpe daling in, tot begin 18e eeuw nauwelijks nog octrooien werden verleend. In technisch opzicht kunnen we de Gouden Eeuw dus nog wel een ‘gouden tijd’ noemen, maar de 18e eeuw kan beslist geen ‘zilveren tijd’ voor de techniek genoemd worden.

3b Doordat de nijverheid in de Republiek nauwelijks technische vernieuwingen kende, verloor zij haar technische voorsprong op buitenlandse bedrijven en begon ze de concurrentieslag te verliezen. Omdat in de Republiek de lonen relatief hoog waren, waren technische verbeteringen noodzakelijk om concurrerend te kunnen blijven.

4a Ja. Tussen 1660 en 1750 daalde de pachtprijs met meer dan zeventig procent. Als pachtprijzen dalen, betekent dit dat de opbrengst van de akkerbouw en veeteelt op die grond terugloopt: veel boeren redden het niet meer en trekken weg, de vraag naar grond neemt af, en daarmee de pachtprijs die voor grondgebruik gevraagd kan worden.

4b De paalworm tastte de palen aan die gebruikt werden voor de versteviging van dijken. Doordat een deel van de dijken het begaf, kwam boerenland onder water te staan – en werden dus vooral de boeren getroffen.

4c Een incidentele oorzaak. De veepest en de paalworm waren zaken die kwamen en weer weggingen, het was geen probleem dat voortdurend speelde.

5a Van Effen geeft zijn mening weer: volgens hem is de paalwormenplaag een straf van God voor de zorgeloosheid, luxe en lichtzinnigheid die in de Republiek om zich heen had gegrepen.

5b Nee. De kritiek van Van Effen op de teloorgang van deugdzaamheid doet wel verlicht aan, maar zijn verklaring dat de paalworm een straf van God is, was niet rationeel en daarmee niet verlicht.

6 De uitspraak is niet juist. Over de oorzaak van de paalwormenplaag zegt de bron inderdaad niets, maar de bron maakt wel duidelijk hoe Van Effen (en waarschijnlijk meer mensen) dachten over wat er in de samenleving aan de hand was; je kunt met dit soort bronnen juist goed achterhalen hoe (sommige) mensen in de 18e eeuw dachten.

7a De-urbanisatie (of desurbanisatie, of ontstedelijking) betekent dat het percentage van de bevolking dat in steden woont, afneemt. Bron 13 laat zien dat negen van de twaalf genoemde Hollandse steden tussen 1620 en 1795 niet groeiden maar (uiteindelijk) kleiner waren geworden. Dat wijst op de-urbanisatie. (Al kun je dat met deze bron niet aantonen, omdat we niet kunnen zien om hoeveel procent van de bevolking in steden woonde.)

7b In de 18e eeuw (of eigenlijk Zilveren Eeuw: vanaf 1672) raakte de nijverheid in de Republiek, vooral die in Holland, in een crisis. Bron 7 laat zien dat in de Zaanstreek steeds minder houtzaagmolens waren; kennelijk waren die niet meer nodig, er was dus minder werk. Ook (bijvoorbeeld) de textielindustrie in Haarlem en Leiden werd zwaar getroffen: door de hoge lonen konden de bedrijven daar de concurrentie met buitenlandse bedrijven niet meer aan. De textielindustrie verplaatste zich naar het oosten en zuiden, waar de lonen lager waren. Met het vertrek van deze industrie gingen in Haarlem en Leiden duizenden banen verloren en kromp de bevolking.

Toepassen hoofdstuk 5 / antwoorden

1a economisch gevolg: Door de oorlog tegen Frankrijk (in de Spaanse Successieoorlog vocht de republiek met een aantal bondgenoten tegen de Fransen) raakte de Republiek (met name Holland) haar positie in de handel met Frankrijk en de Franse koloniale gebieden in Amerika kwijt aan de Engelsen.

gevolg voor Europese machtsverhoudingen: Spanje en Frankrijk leverden grondgebied in, Oostenrijk en vooral Engeland wonnen grondgebied (waaronder koloniale bezittingen). Steeds duidelijker werd dat niet langer Frankrijk maar Engeland de machtigste Europese staat was – terwijl ook de Republiek (zonder grondgebied af te staan) veel aan macht inboette.

1b Willem III zag Frankrijk als grootste bedreiging van de Republiek: hij dacht dat Lodewijk XIV uit was op de hegemonie in Europa en daarmee ook op verovering van (de handel van) de Republiek. Hij wilde zo’n oorlog tegen Frankrijk dus altijd voortzetten en was niet bereid tot vredesonderhandelingen. De Hollandse regenten zagen niet Frankrijk als grootste gevaar, maar Engeland, omdat Engeland – onder meer met de Acte van Navigatie – de positie van Holland als handelscentrum probeerde over te nemen. De regenten wilden zo’n oorlog met Frankrijk dus doorgaans het liefst zo snel mogelijk beëindigen.

2a Nee, dat was niet zo bedoeld. De stadhouders uit het huis Oranje stonden bekend als grote tegenstrevers van Frankrijk; zij wilden een sterk landleger dat het tegen de Fransen konden beschermen). Door hun aanval van 1747 brachten de Fransen in de Republiek dus juist hun grootste tegenstander aan de macht.

2b aanleiding: de inval van een klein Frans leger in Staats-Vlaanderen. De inval maakte duidelijk hoe zwak de militaire verdediging van de Republiek was; de regenten kregen daarvan de schuld, van de stadhouder werd verwacht dat hij orde op zaken zou stellen.

economische oorzaak: De Republiek had grote schulden terwijl de inkomsten uit handel en nijverheid terugliepen. Er was te weinig geld (en teveel verdeeldheid) om een sterk leger op de been te brengen of een sterke vloot uit te rusten – en het gevolg daarvan werd door de Franse inval pijnlijk duidelijk gemaakt.

Ook de hoge belastingen (gevolg van de hoge schulden) kun je als een economische oorzaak aanwijzen: de onvrede daarover onder de bevolking was groot, de regenten kregen er de schuld van, wat de orangisten in de kaart speelde.

politieke oorzaak: een deel van de ‘middengroepen’ (de ‘kleine burgerij’, niet rijk en niet arm) waren ontevreden over het bestuur van hun gewest en eisten invloed op dat bestuur; zij hoopten dat de stadhouder in staat was de zelfverrijking van de regenten aan te pakken en dat hij de regenten kon dwingen hun macht met deze middengroepen te delen. (Deze politieke beweging wordt de Doelisten genoemd.)

3a De Doelisten was een beweging van gewone burgers (‘kleine burgerij’) die genoeg hadden van de corruptie en zelfverrijking van de regenten en meer inspraak wilde in het bestuur, bijvoorbeeld op de benoeming van burgemeesters. Zij steunden de stadhouder, in de hoop dat hij de regenten aan kon pakken.

3b Hij kon de steun van de Doelisten goed gebruiken om zijn eigen macht te vergroten ten opzichte van de regenten. In dat opzicht – de regenten een toontje lager laten zingen – wilden zij hetzelfde.

3c De stadhouder zag niets in meer macht voor het ‘gewone volk’; dat zou immers ten koste gaan van ook zijn eigen macht. Daarom ontsloeg hij een paar regenten (bron 4), gaf hij de kleine burgerij geen politieke rechten en liet hij in steden waar de schutterij niet zelf ingreep om de Doelisten van plunderen en intimideren te weerhouden, de orde herstellen.

4 Een van de volgende argumenten:

- We zien op de tekening maar één bedelaar; dat zegt niets over het aantal bedelaars in de stad, laat staan in de hele Republiek.

- Dit is maar één bron. Het beeld dat de tekening oproept – in steden wordt gebedeld – moet worden ondersteund door andere bronnen voor je uitspraken kunt doen over de toestand van de Nederlandse bevolking.

- Bedelaars zijn er in de Republiek altijd geweest, ook in de bloeiperiode van de Gouden Eeuw. Een tekening van een bedelaar is dus iets normaals en wijst op zichzelf niet op verpaupering. (Daarvoor heb je gegevens nodig over het aantal bedelaars.)

n.b. De doornummering van opdrachten op bladzijde 90 klopt niet: er zijn twee opdrachten 4. Hieronder het antwoord op opdracht 4 van bladzijde 90

4 Waar het conflict over ging: Over hoe (en dan vooral: door wie) de Republiek bestuurd moest worden, hoe het verval van de economie gekeerd moest worden en wie nu eigenlijk de grootste buitenlandse vijand van de Republiek was: Engeland of Frankrijk. (Dat laatste punt had gevolgen voor de keuze voor een sterke vloot dan wel een sterk landleger.)

Standpunten: De patriotten wilden democratisering, afschaffing van voorrechten en gesjoemel met het vergeven van baantjes. De patriotten vonden dat de regenten de Republiek economisch naar de afgrond leidden; zij wilden ingrijpende hervormingen en bescherming van de handel tegen de Engelse overheersing van de wereldzeeën. Daarom moest volgens hen meer worden geïnvesteerd in een sterke vloot.

De regenten en prinsgezinden wilden hun macht behouden; zij zagen Frankrijk als grotere bedreiging dan Engeland en wilden daarom een sterk landleger. De regenten wilden geen ingrijpende hervormingen; zij bleven bijvoorbeeld geld pompen in de VOC en bleven ondanks de grote verliezen toch geld uitkeren aan de aandeelhouders.

Internationale verwikkelingen: De opstand van de Amerikaanse koloniën tegen Engeland. De patriotten steunden de opstandelingen vanwege hun democratische eisen; de prinsgezinden steunden Engeland omdat dat land nodig was in de strijd tegen de Franse pogingen het Europese vasteland te overheersen.

5a De regenten teerden op het geld dat hun voorouders hadden verdiend in de handel (onder meer in verre landen). Ze hadden er zelf niets voor hoeven doen: ze leefden van de rente van het geld dat ze aan anderen uitleenden.

5b Nee. In contracten van correspondentie maakten regenten afspraken over het doorgeven van bestuursambten aan elkaar. Over die praktijk heeft de schrijver het hier niet.

5c Ja. Orthodoxe protestanten hechtten veel waarde aan een sober, werkzaam en deugdzaam leven; zij hadden weinig op met uiterlijk vertoon, met ledigheid (niets ondernemen), met ijdelheid. Op al die zaken heeft de schrijver van dit schoolboek kritiek.

5d De levensstijl van regenten heeft weinig tot geen invloed op de economie van een land. Voor het economisch verval van de Republiek in de 18e eeuw (dat relatief was: het was geen verval op alle fronten en het was vooral het kwijtraken van een voorsprong op veel grotere landen) waren oorzaken die buiten de Republiek zelf lagen: de concurrentie nam toe, en daardoor wisten de Nederlanders hun bijzondere positie uit de Gouden Eeuw niet te handhaven.

6 Een geleidelijk en langdurig proces. In de 18e eeuw groeide de koloniale handel nog wel, maar de winst ging na 1730 alleen maar omlaag, tot er ten slotte helemaal geen winst meer werd gemaakt. Dat kwam door buitenlandse concurrentie: nu de Republiek (door geldnood gedwongen) een neutraliteitspolitiek moest voeren, kon het met name de Engelsen niet langer uit de Oost-Aziatische handel weren. De VOC had ook last van corrupt personeel, dat VOC-producten zelf verkocht en de opbrengst in eigen zak stak. Beide oorzaken vormden een geleidelijk proces, geen plotselinge gebeurtenis.

Wel kun je stellen dat de Vierde Engelse Oorlog (1780-1784) de ondergang van de VOC heeft versneld – maar de neergang van de VOC was al rond 1730 begonnen.