De Republiek - dynamiek en stagnatie

Proefexamen vwo / antwoorden

3, 2, 7, 1, 4, 5, 6

De Spaanse koning Filips II wilde als een soevereine heer over ‘zijn’ gebieden heersen en hield daarbij weinig rekening met de privileges van de steden en van de lage en hoge adel. Mede om die reden kwamen zij vanaf 1568 in opstand. Temple (bron 1) beschrijft die toestand van gewestelijke en stedelijke soevereiniteit.

Temple schrijft: ‘De republiek is een verbond van zeven soevereine gewesten die zich (…) hebben verenigd zonder (…) in enig opzicht (…) afhankelijk’ te zijn.

De soevereiniteit (hoogste macht) lag niet bij de Staten-Generaal, maar bij de afzonderlijke gewesten. De bestuurders van de gewesten kwamen dan ook in de eerste plaats op voor hun eigen gewestelijke belangen (en daarbinnen deden de steden vaak hetzelfde: opkomen voor de eigen, stedelijke belangen, wat vaak betekende dat zij moesten concurreren tegen andere steden in het gewest).

Voorbeelden van een gebeurtenis die het conflict tussen stadhouder en regenten illustreren:

- De regenten besloten na het overlijden van stadhouder Willem II in 1650 dat de Republiek ook wel zonder stadhouder verder kon (eerste stadhouderloze tijdperk). In strikte zin is dat geen direct conflict, maar het illustreert wel de spanningen tussen de regenten en de stadhouders.

- In het Rampjaar 1672 was de Republiek in oorlog met Engeland, Frankrijk, Munster en Keulen. De oorlog verliep – vooral op land – slecht. De regenten kregen het verwijt dat zij het landleger hadden verwaarloosd, en de zoon van Willem II (de stadhouder die in 1650 was overleden en toen niet was opgevolgd), Willem III, werd ‘teruggeroepen’. Willem III deed niets om te voorkomen dat een woedende bevolking de regenten Johan en Cornelis de Witt uit de Gevangenenpoort in Den Haag sleepte en vermoordde.

- Omstreeks 1676 wilde stadhouder Willem III de oorlog tegen Frankrijk voortzetten; de stadhouders zagen van oudsher Frankrijk als de grootste bedreiging van de Republiek – en dat idee leverde hen ook de meeste macht op, want om het tegen Frankrijk op te kunnen nemen was een groot landleger nodig, waarvan de stadhouder de leider was. De regenten wilden vrede sluiten met Frankrijk; zij vonden dat de oorlog de handel teveel schaadde en zagen bovendien niet Frankrijk als hun grootste rivaal, maar Engeland, dat op zee de grootste handelsconcurrent was – en aangezien de regenten zelf nauwe banden met de Hollandse handel hadden, was dit ook hun eigen belang. De ruzie om deze kwestie duurde voort tot de dood van Willem III in 1702.

- Na de dood van Willem III besloten de regenten (opnieuw) geen nieuwe stadhouder te benoemen. Dat illustreert dat de regenten de stadhouder eerder als een sta-in-de-weg zagen dan als een bondgenoot. Dit tweede stadhouderloze tijdperk duurde tot 1747.

- Vanaf 1747, toen uit de Friese tak van het huis van Oranje een nieuwe stadhouder werd aangesteld, tot het einde van de eeuw voerden de stadhouders en regenten strijd om de koers van de buitenlandse politiek. De stadhouders wilden een sterk landleger en oorlog tegen Frankrijk, de regenten wilden weinig geld uitgeven aan het leger (door vast te houden aan de neutraliteit van de Republiek) en vrede met Frankrijk.

Verklaring voor de voortdurende machtsstrijd tussen stadhouder en regenten:

De stadhouder ontleende zijn macht vooral aan een sterk centraal gezag en aan een sterk landleger, waarvan hij aanvoerder was. Zij zagen Frankrijk als grootste bedreiging van de Republiek en Engeland als natuurlijke bondgenoot. De regenten ontleenden hun macht vooral aan de soevereiniteit van de gewesten en de privileges van de steden (er was geen centrale macht die daar boven stond). Zij wilden de Republiek het liefst buiten oorlogen houden omdat oorlog de handelsbelangen kon schaden en omdat het in standhouden van een sterk leger erg kostbaar was (en de stadhouder, die aanvoerder van het leger was, meer macht bezorgde). Zij zagen niet Frankrijk maar Engeland als grootste bedreiging van de Republiek, omdat Engeland de handel van de Republiek dwarsboomde. Als er al oorlog gevoerd moest worden (of militaire uitgaven gedaan moesten worden), dan tegen Engeland, op zee, dus met een sterke marine.

Twee van de volgende oorzaken:

- De crisis in de Hollandse landbouw in de 14e en 15e eeuw, veroorzaakt door het inklinken van de veenbodem. De grond werd zo drassig dat het ongeschikt was voor akkerbouw. Om de groeiende bevolking te voeden, moest er graan van buiten worden ingevoerd. Dat graan werd uit het Oostzeegebied gehaald. Zo verwierven de Hollanders een ijzersterke positie in de Oostzeehandel. Toen in de 16e eeuw de graanprijzen omhoog gingen, had Holland daar groot voordeel van. (Dus: door de crisis in de Hollandse landbouw hadden Hollandse handelaren zich in de Oostzeehandel gestort.)

- Door de stapelmarkt in Amsterdam kon aan de Oostzeehandel veel geld verdiend worden.

- Holland was bereid om oorlog te voeren om toegang tot de Sont te krijgen en te houden.

- Mede dankzij technische ontwikkelingen was de scheepsbouw in Holland tot grote bloei gekomen. Met name de bouw van de fluit was een groot succes: het schip kon bulkgoederen (zoals graan en hout) vervoeren en was toch stabiel, snel en goedkoop.

Verstedelijking en groei van handel gaan vrijwel altijd hand in hand en bevorderen elkaar: de inwoners van steden moeten worden gevoed en voorzien van allerlei producten die zij niet zelf (kunnen) produceren; bloeiende handel zorgt voor meer werkgelegenheid, wat nieuwkomers naar de steden lokt.

Bron 2 laat zien dat de Noordelijke Nederlanden vanaf 1500 in hoog tempo verstedelijkten (althans: dat er meer grote steden kwamen), met een piek rond 1650; daarna bleef het aantal grote steden gelijk. Dat wijst op (kan zowel een oorzaak als een gevolg zijn van) bloei van de handel in de noordelijke gewesten. In de Zuidelijke Nederlanden bleef het aantal steden bijna vier eeuwen gelijk; in Engeland begon de verstedelijking vanaf 1600 met een explosie in de 18e eeuw. In de 17e eeuw was in Holland de verstedelijking dus het sterkst.

De Engelsen en Fransen wilden de overheersende positie van Holland in de handel doorbreken (en liefst overnemen). Zij probeerden dat te bereiken met een combinatie van mercantilisme (het beschermen van de eigen handel en nijverheid en benadelen van buitenlandse handelaren door extra hoge invoerheffingen of door invoerverboden) en oorlogen. Bron 3 verwijst naar de Eerste Engelse Zeeoorlog, die uitbrak nadat Engeland de handel van de Republiek had geboycot met de Acte van Navigatie.

De Dertigjarige Oorlog (1618-1648) had de vraag naar graan opgestuwd, want die oorlog maakte stabiele landbouw in grote delen van Duitsland en een deel van Frankrijk onmogelijk. Holland, dat de graanhandel domineerde en het graan verkocht vanaf de stapelmarkt in Amsterdam, had daar enorm van geprofiteerd. Na 1648 herstelde de Duitse landbouw zich, terwijl ook in bijvoorbeeld Engeland meer graan werd verbouwd. Door het grotere aanbod daalden de graanprijzen. Niet alleen raakten de Hollanders hun ‘monopolie’ in de graanhandel kwijt, door de lagere prijzen verdienden ze er ook veel minder aan.

De bewering kan worden ondersteund met dit argument:

In de Hollandse landbouw speelde veeteelt vanaf de 16e eeuw een belangrijke rol. In de 18e eeuw gingen kapitaalkrachtige boeren over van melkvee naar slachtvee, en vanaf 1740 beleefde de landbouw in de Republiek een hernieuwde bloeiperiode – het was de enige sector die zich aan de economische stagnatie wist te onttrekken. Het fokken en exporteren van vee past dus in een eeuwenlange traditie in Nederland.

Ook de ontwikkeling van verstedelijking in Holland – waardoor voor veeteelt steeds minder grond overbleef en boeren moesten zoeken naar manieren om met die beperking om te gaan – die tot in onze tijd is doorgegaan, vormt een langdurig, constant patroon en pleit vóór de bewering.

Holland kent commerciële landbouw sinds de 16e eeuw. De uitvinding van kistkalveren is de ultieme vorm van commerciële landbouw: het dier is volledig ondergeschikt aan het streven naar winst.

De bewering kan worden weersproken met dit argument:

Het ‘uitvinden’ van kistkalveren heeft niets te maken met de wijze waarop in Holland in de 17e en 18e eeuw veeteelt bedreven werd. Toen graasde het vee buiten op de akker en ’s winters op stal. De ‘uitvinding’ van kistkalveren (pasgeboren kalveren afzonderen in een houten of metalen box waar ze amper kunnen bewegen, zodat hun vlees mals blijft; de kalveren krijgen een ijzerarm dieet met kunstmelk om hun vlees de kleur te geven die de consument graag ziet) was een tijdelijk verschijnsel, dat door de consumenten / samenleving niet geaccepteerd werd: het houden van kistkalveren is in Nederland (en een groot deel van Europa) inmiddels verboden. De enige overeenkomst is dus dat het om veeteelt gaat; meer verband is er niet.

De makers van dit katern denken dat de argumenten vóór de bewering sterker zijn dan de argumenten tegen.

Drie van de volgende factoren:

Door de sterke positie van Holland in de Oostzeehandel was er in de Republiek altijd voldoende aanvoer van graan; de voor armen belangrijkste voedselprijs was stabiel.

Door de economische groei en bloei waren – vooral in de kustgewesten – de lonen relatief hoog.

Door de economische groei en bloei was er meestal volop werk.

Voor mensen die niet in hun eigen levensonderhoud konden voorzien was er een voor die tijd opmerkelijk goed stelsel van armenzorg.

De nijverheid kreeg in de 18e eeuw steeds meer last van buitenlandse concurrentie en het mercantilisme van Frankrijk en Engeland. De technische voorsprong van de 17e eeuw ging verloren, waardoor de hoge lonen (die er in de 17e ook al waren) in de Republiek een steeds groter nadeel werd: produceren werd te duur. De achteruitgang trof vooral Holland, en veel ondernemers verplaatsten hun bedrijven naar de landprovincies omdat daar de lonen nog lager waren; en sommige takken van nijverheid bleven het lange tijd behoorlijke goed doen (suikerraffinaderij, pijpenindustrie, jeneverstokerij, papierindustrie), maar over het geheel genomen kwijnde de nijverheid in de 18e eeuw langzaam weg.

De geldhandel maakte de gehele 18e eeuw een bloeiperiode door. Handel en nijverheid mochten dan stagneren of teruglopen, de kooplieden die in de Gouden Eeuw grote kapitalen hadden vergaard, zochten ook in de 18e eeuw naar manieren om iets met dat kapitaal te doen: het uitlenen op de kapitaalmarkt bijvoorbeeld, of zelf investeren in zaken die nog wel een goed rendement beloofden, zoals overheidsleningen (in binnen- en buitenland) en succesvolle buitenlandse ondernemingen.

Hoogste koers rond 1630:

In 1628 veroverde de WIC een zilvervloot. Dat was een enorme klapper voor de schatkist van de Republiek en deed uiteraard ook het vertrouwen in de WIC toenemen: wie weet zouden er meer van zulke spectaculaire successen geboekt worden.

Sterke en langdurige koersdaling vanaf 1640:

De WIC leefde deels van kaapvaart tegen de Spanjaarden en Portugezen. Toen halverwege de 17e eeuw de (tachtigjarige) oorlog met Spanje eindigde, viel die kaapvaart weg. Halverwege de 17e eeuw trof Engeland de Republiek met de eerste van een reeks Actes van Navigatie, die vooral ook de WIC troffen; de concurrentie op zee, met name op het westelijk halfrond, nam enorm toe; en anders dan de VOC wist de WIC geen monopolie af te dwingen. Dat alles maakte investeren in de WIC steeds minder aantrekkelijk, waardoor de aandelenkoers daalde.

De bewering wordt maar in zeer bescheiden mate ondersteund door deze bron. De cijfers laten wel zien dat een flink deel van de rijkste Amsterdammers ‘overstapten’ van Europese handel naar overzeese handel, maar niet dat die overstap voortkomt uit de driehoekshandel (Europa – Afrika – Amerika). Alleen de twaalf Amsterdammers die zich in de suikerraffinage begaven zijn met grote waarschijnlijkheid aan die driehoekshandel toe te schrijven. De groeiende deelname aan de overzeese handel kan ook grotendeel of misschien zelf geheel aan de VOC worden toegeschreven; de WIC werd ‘pas’ in 1621 opgericht, vóór 1631 was de driehoekshandel nog nauwelijks op gang gekomen.

Artikel 15: dat bepaalt dat iemand die een ambt vervult dat ambt niet zomaar kan doorgeven, alsof het een recht of een bezit zou zijn – precies de praktijk waaruit de contracten van correspondentie bestonden.

Artikel 3: bepaalt dat (bijvoorbeeld) ambten en de daarbij horende rechten en inkomsten voor alle burgers toegankelijk moeten zijn. De contracten van correspondentie hadden dat onmogelijk gemaakt.

Overeenkomsten:

Doelisten en patriotten wilden beide meer invloed voor de gewone (‘kleine’) burgerij op het bestuur; ze wilden een eind maken aan de coöptatie (= je eigen opvolgers benoemen) van de regentenoligarchie. Deze vijf grondwetsartikelen maken alle duidelijk dat alle burger dezelfde politieke rechten hebben (volgens artikel 7 gaat het zelfs om een burgerplicht) waarmee in beginsel de regentenoligarchie volledig werd opengebroken.

Verschil:

De patriotten wilden democratie (volksinvloed op het bestuur); artikel 5 en 10 van de grondwet maken duidelijk dat dit geen wassen neus was maar een heus ideaal. Doelisten gingen in hun democratische eisen/wensen veel minder ver: de misstanden onder de regenten moesten worden aangepakt en de kleine burgerij moest meer te zeggen krijgen; dat iedereen voor de wet gelijk is, zoals artikel 3 en 5 van de grondwet stellen, was voor de Doelisten geen wezenlijk punt.