De Republiek - dynamiek en stagnatie
Proefexamen havo / antwoorden
2, 1, 3, 4, 5
Religieuze achtergronden van de opstand:
Veel inwoners van de Nederlandse gewesten hadden zich tot het protestantisme bekeerd. De Spaanse gezaghebbers (landvoogdes Margaretha van Parma en haar helpers, Alva en Granvelle) vervolgden en onderdrukten de protestanten; ze deden dat in opdracht van de katholieke Spaanse koning Filips II en de paus. De Bloedraad van Alva (een speciale, door hem ingestelde ‘rechtbank’) veroordeelde de protestanten als ketters en sprak doodvonnissen over hun uit.
De onderdrukking van het protestantisme en vooral de strenge vervolgingen waren een oorzaak van de opstand.
Politieke achtergronden van de opstand:
De Spaanse gezaghebbers (landvoogdes Margaretha van Parma en haar helpers, Alva en Granvelle) hielden onvoldoende rekening met de soms eeuwenoude voorrechten die voor de inwoners van Nederland als vanzelfsprekend werden gezien. De adel, die altijd belangrijke bestuursposten had bezet, verloor veel van haar invloed; veel steden die min of meer soeverein waren geweest, werden door de centralisatiepolitiek van de Spaanse gezaghebbers in het gareel gedwongen.
De aantasting van de politieke (voor)rechten en het beknotten van de vrijheid in de Nederlandse gewesten en steden waren een oorzaak van de opstand.
In de kustprovincies in Nederland, vooral in Holland, werd door het inklinken van de veenbodem en (mede daardoor ontstane) overstromingen een groot deel van de grond ongeschikt voor akkerbouw. Veel boeren trokken naar de stad om daar werk te zoeken in de handel en nijverheid. Door deze verstedelijking werd het voor de achtergebleven boeren aantrekkelijk om te produceren voor de stedelijke markt. Ze deden dat met veeteelt en met handelsgewassen die wel op de drassige Hollandse bodem konden gedijen. De opkomst van deze commerciële landbouw (= niet zelfvoorzienend maar produceren voor de markt) bevorderde de verstedelijking: in de stad was – zelfs als daar tienduizenden mensen op een kluitje leefden - alles te krijgen, steden konden dus groeien zonder dat de voedselvoorziening in gevaar kwam.
De toestroom van boeren vanaf het platteland bevorderde de groei van de handel. Meer mensen probeerden in de handel hun brood te verdienen, waardoor vroeg of laat alle denkbare mogelijkheden tot handeldrijven benut werden. De groei van de handel bevorderde de verstedelijking van Holland, want dankzij de handel was in de stad alles te krijgen wat je nodig had; en de verstedelijking versterkte de handel, doordat er steeds meer klanten waren om dingen aan te verkopen.
Temple schrijft: ‘De republiek is een verbond van zeven soevereine gewesten die zich (…) hebben verenigd zonder (…) in enig opzicht (…) afhankelijk’ te zijn.
De soevereiniteit (hoogste macht) lag niet bij de Staten-Generaal, maar bij de afzonderlijke gewesten. De bestuurders van de gewesten kwamen dan ook in de eerste plaats op voor hun eigen gewestelijke belangen - en daarbinnen deden de steden vaak hetzelfde: opkomen voor de eigen, stedelijke belangen, wat vaak betekende dat zij moesten concurreren tegen andere steden in het gewest.
Kenmerken van de Nederlandse landbouw:
De crisis in de landbouw (vooral in Holland) van de 14e en 15e eeuw (veroorzaakt door het inklinken van de veenbodem) maakte het noodzakelijk om graan van buiten aan te voeren om de bevolking te kunnen voeden. Dat graan werd uit het Oostzeegebied gehaald: daar was het het goedkoopst. De invoer van graan én de verstedelijking (die daardoor mede mogelijk was: er was voldoende voedsel) maakte het voor de overgebleven boeren mogelijk zich toe te leggen op commerciële gewassen en producten, die zij in de stad verkochten.
Vernieuwingen in de Nederlandse scheepvaart:
De Oostzeehandel was bulkhandel: het ging om producten in grote hoeveelheden (graan, hout). Daarvoor waren veel schepen nodig. De vraag naar schepen bevorderde de technische ontwikkeling van de scheepsbouw. De belangrijkste technische vernieuwingen waren (1) de bouw van een nieuw scheepstype dat veel lading kon innemen en toch stabiel, snel en goedkoop was: het fluitschip, en (2) de houtzaagmolen, waarmee (met name) de fluitschepen snel en goedkoop konden worden geproduceerd (door het mechanisch zagen van standaardonderdelen).
Migratiebewegingen in Europa in de 16e en 17e eeuw:
Na de val van Antwerpen in 1585 kwamen tienduizenden kooplieden en handwerkslieden van Antwerpen naar Amsterdam. Zij brachten hun kapitaal, handelscontacten en vakmanschap mee, wat een enorme impuls was voor de Amsterdamse economie.
Tot 1620 werden deze Antwerpenaren gevolgd door tienduizenden andere immigranten uit de Zuidelijke Nederlanden die vluchtten voor het geweld van de Tachtigjarige Oorlog, die in die periode vooral op hun grondgebied woedde.
Na 1620 kwam er een grote stroom immigranten uit Duitsland, op de vlucht voor de Dertigjarige Oorlog (1618-1648). Ook kwamen er duizenden joden uit Oost-Europa, op de vlucht voor pogroms.
Na de intrekking van het Edict van Nantes in 1685 (in dat Edict hadden protestanten in Frankrijk een zekere vrijheid van godsdienst gekregen, zie bron 3) vluchtten tienduizenden hugenoten (Franse protestanten) naar Amsterdam.
Deze grote aantallen immigranten, die meestal kwamen om aan onderdrukking en vervolging te ontkomen (en in Amsterdam niet alleen verdraagzaamheid maar ook economische mogelijkheden hoopten te vinden), hielpen Amsterdam niet alleen aan de arbeidskracht die de stad door zijn krachtige economische groei hard nodig had, maar droeg ook bij aan de positie van Amsterdam als internationaal handelscentrum.
De moedernegotie:
Amsterdam dankte zijn sterke positie in de internationale handel voor een belangrijk deel aan zijn grote aandeel in de Oostzeehandel, vooral de graanhandel. Die handel vormde de basis voor allerlei andere handelsstromen, want door het graan op de Amsterdamse stapelmarkt op te slaan kon Amsterdam grote delen van Europa van graan voorzien, en in ruil voor dat graan (of met het geld dat daarmee werd verdiend) konden andere goederen worden ingevoerd en doorverkocht.
Twee Amsterdamse instellingen die handel tussen buitenlandse kooplieden vergemakkelijkte:
(1) Bij de in 1609 opgerichte Wisselbank konden kooplieden geld in bewaring geven, wisselen (in een andere muntsoort) en overboeken. Het gemak en de veiligheid waarmee geldzaken konden woren afgehandeld oefende een grote aantrekkingskracht uit op kooplieden.
(2) Op de koopmansbeurs konden deze kooplieden elkaar ontmoeten en handelen in alles wat maar te koop was, ook in nieuwigheden als termijncontracten (nu alvast een prijs afspreken, later pas leveren). Bovendien kon je er verzekeringen afsluiten, vervoerscontracten regelen en informatie inwinnen. Al deze voorzieningen werkten als een magneet op de handel.
Een derde instelling was de bank van lening: daar kon je tegen een onderpand geld lenen.
Mercantilisme:
De landen om de Republiek heen, met name Engeland en Frankrijk, legden zich niet neer bij de Nederlandse dominantie in de Europese - en wereldhandel. Zij namen maatregelen om hun eigen nijverheid te beschermen (bijvoorbeeld door extra invoerheffingen op te leggen aan concurrerende producten uit het buitenland) en om hun eigen handel te beschermen en stimuleren door te bepalen dat (bijvoorbeeld, zoals in de Acte van Navigatie uit 1651) buitenlandse producten alleen mochten worden ingevoerd door handelaren uit datzelfde land. Door deze mercantilistische politiek nam de concurrentie door de Engelse en Franse handel en nijverheid sterk toe; het was eenvoudigweg onmogelijk om de voorsprong die de Republiek in de eerste helft van de 17e eeuw nog had gehad, vast te houden.
Voorbijlandvaart:
De Republiek dankte haar sterke positie in de handel mede aan de Amsterdamse stapelmarkt. Daar werden vrijwel alle producten die waren ingekocht, eerst opgeslagen, om van daaruit te worden doorverkocht en vervoerd naar de plaats van bestemming. Buitenlandse kooplieden wilden liever niet van die stapelmarkt afhankelijk zijn en besloten, zodra dat mogelijk was (door goede handelscontacten in verschillende Europese steden), hun goederen niet naar Amsterdam te laten brengen (vaak door Hollandse en Zeeuwse schippers), maar rechtstreeks naar de plaats van bestemming. Voorbijlandvaart betekende dus het voorbijvaren van de stapelmarkt om rechtstreeks zaken te doen. In de 18e eeuw nam de voorbijlandvaart sterk toe. Dat ging ten kostte van Amsterdam en uiteindelijk van de Republiek als geheel.
- Oorlog voeren tegen inheemse en Europese volken die de overzeese belangen van de VOC in de weg stonden of bedreigden: De With schrijft dat hij met zijn soldaten uitvallen deed tegen de Javaanse en Engelse belegeraars van fort Jacarta; vocht tegen ‘de vijand’ op de Molukken; oorlogsschepen aanvoerde die de Nederlandse koopvaardijvloot begeleidden.
- In overzeese gebieden forten bouwen en ontmantelen: De With vertelt over het verdedigen van fort Jacarta en het ontmantelen van een fort bij Gamalamme (op de Molukken).
- De landbouw in overzeese gebieden vernietigen: De With vertelt dat hij 80 tot 90 duizend kruidnagelbomen op Ambon heeft geroofd (dit was om het VOC-monopolie op kruidnagelen te vestigen: kruidnagelbomen die niet onder controle van de VOC waren, moesten worden vernietigd – liefst zoveel mogelijk om kruidnagelen tot een schaars en dus duur product te maken en te houden.
- Kaapvaart bedrijven: De With vertelt van het overmeesteren van een vijandelijk schip, als inleiding op het veroveren van de zilvervloot.
(1) De gegoede burgerij (zes tot tien procent van de bevolking), waartoe de stedelijke regenten behoorden maar ook de ‘hogere middenklasse’ van artsen, predikanten, officieren en fabrikanten.
(2) De kleine burgerij (een kwart van de bevolking), die een zekere welstand genoot maar die bij tegenslag toch tot armoede kon vervallen. Hiertoe behoorde een brede groep met beroepen als zelfstandige ambachtslieden en winkeliers, maar ook kantoorbedienden en schoolmeesters.
(3) De volksklasse (60 tot 75 procent van de bevolking), een brede groep met ‘bovenin’ geschoolde arbeiders als timmerlieden en metselaars, in het midden dienstmeisjes en ongeschoolde loonarbeiders (zeelieden, soldaten, vissers) en onderaan ongeschoolde arbeiders zonder vast werk (sjouwers, pakdragers) en – helemaal onderaan – bedelaars en zwervers.
Voorbeelden van een goed antwoord:
- Meer rijke Amsterdamse burgers gingen deelnemen aan de overzeese handel (van ongeveer 40 procent in 1585 tot een kleine 70 procent in 1631).
- Rijke Amsterdammers gingen deelnemen aan de handel in (geraffineerde) suiker: in 1585 nog niemand, in 1631 twaalf personen.
- Rijke Amsterdammers trokken zich geleidelijk terug uit de (genoemde takken van) Europese handel en nijverheid: de deelname aan de Oostzeehandel (graan, hout) liep terug, deelname aan de handel in vis en zuivel viel helemaal stil, de deelname aan zeepfabricage en bierbrouwerijen liep terug.
Oorzaak van de Pachtersoproeren - Onvrede over de hoge belastingen: naast de stijgende, toch al hoge accijnzen, nam ook de belasting op grond en onroerend goed toe en kwamen er belastingen op aandelen, obligaties, erfenissen en huishoudpersoneel. De onvrede werd afgereageerd op de particulieren die van de gewestelijke of stedelijke overheid het recht hadden gepacht om die belastingen te innen (belastingpachters).
Politiek gevolg van de Pachtersoproeren - Ontevreden middengroepen gebruikten de onvrede over de hoge belastingen om zich te organiseren en democratische eisen te stellen: zij wilden dat er een eind kwam aan de zelfverrijking en corruptie onder de regenten en dat gewone burgers invloed kregen op het bestuur. Deze politieke beweging werd de Doelistenbeweging genoemd.
Voorbeelden van continuïteit:
- In de kustprovincies (Holland, Zeeland, Friesland) behield de landbouw haar commerciële karakter.
- In de landprovincies bleef een groot deel van de boeren produceren voor eigen gebruik (zelfvoorzienende landbouw, het tegenovergestelde van commerciële landbouw).
- In de kustprovincies bleven veeteelt en zuivel de belangrijkste vormen van landbouw.
- De export van landbouwproducten naar het buitenland: in de 17e eeuw vonden allerlei zuivelproducten al hun weg naar de buitenlandse (vooral Duitse) markt, in de 18e eeuw verbreedde dat assortiment zich.
Voorbeelden van verandering:
- In de kustprovincies gingen veel kleine boeren failliet; alleen kapitaalkrachtige boeren overleefden de landbouwcrisis van 1660 tot 1740.
- Na 1660 begonnen de prijzen van landbouwproducten te dalen doordat de bevolking niet langer groeide en de landbouwproductie in omringende landen toenam. Na 1740 kwam er een einde aan deze crisis in de (vooral Hollandse) landbouw.
- Veel Hollandse boeren gingen over van melkvee op slachtvee.
- In de landprovincies gingen grote boeren (boeren met veel grond en kapitaal) over op de verbouw van handelsgewassen als tabak en hennep; kleine boeren gingen bijverdienen in de opkomende plattelandsnijverheid. Zo raakte ook de landbouw in de landgewesten verbonden met de commerciële economie.
- De aardappel werd na zijn introductie rond 1700 volksvoedsel nummer 1; gewassen die goed combineerden met aardappelen, zoals bloemkool, snijbonen en komkommer, kwamen opzetten.
- De Republiek werd een grote exporteur van agrarische producten, en de landbouw werd de dareger van de economie.
De patriotten keurden dit sterk af, want in de grondwet die zij opstelden werd de praktijk van het elkaar toeschuiven van bestuursbaantjes. Artikel 15 bijvoorbeeld bepaalde dat iemand die een ambt vervult dat ambt niet zomaar kan doorgeven (alsof dat ambt een persoonlijk recht of bezit zou zijn). Dat was onder de regentenoligarchie de bestaande praktijk geweest (‘contracten van correspondentie’). Artikel 3 bepaalde dat ambten en de daarbij horende rechten en inkomsten voor alle burgers toegankelijk moeten zijn, iets wat door de contracten van correspondentie onmogelijk was gemaakt.
Dit is een mening, want:
- Het is onmogelijk de schuld voor een zo algemene ontwikkeling (‘de ondergang van de Republiek’) aan één persoon (of functie) toe te schrijven. Een ontwikkeling als ‘de ondergang’ (van wat dan ook) heeft altijd meer dan één oorzaak, en één ‘hoofdrolspeler’ is nooit de enige die invloed uitoefent op ontwikkelingen (hij heeft vele medestanders, tegenstanders, omstanders, die elk een eigen rol spelen, en er is een wisselwerking tussen ‘de hoofdrolspeler’ [in dit geval, volgens de bewering, de stadhouder] en al die andere ‘spelers’); je kunt het doen en laten van de stadhouder niet als opzichzelfstaande feiten zien, want zijn handelingen kwamen voort uit bepaalde, niet door hem alléén geschapen omstandigheden.
- In de 18e eeuw kwam er een einde aan de unieke bloeiperiode die de Republiek in de Gouden Eeuw had doorgemaakt, maar om dat ‘ondergang’ te noemen is een mening: je kunt daar net zo goed de mening tegenover zetten dat de Republiek het in de 18e eeuw economisch, cultureel en militair-politiek – zeker gezien de bescheiden omvang van het land en de bevolking – helemaal niet zo ‘slecht’ deed.