‘Het blijven Duitsers.’ Die gevleugelde uitdrukking raakt de kern van het Volksempfinden, de Volksgeist en de Volksgemeinschaft. Duitsers blijven altijd tot het bittere of zoete einde doorvechten, en meestal winnen zij. Niet alleen veldslagen; ook de belangrijkste wedstrijden in tal van sporten. Dat wekt grote bewondering bij andere volken, maar ook ergernis en afgunst. Het zwart-rood-goud wappert hoog, en hoge vlaggen vangen veel wind. Nederlanders zijn zo afhankelijk van dit sterke en krachtdadige land (grootste exporteur van de wereld; 3e economische macht van de wereld), dat zij graag wat ‘afstand’ nemen. En juist omdat Nederland de kleine broer van Duitsland is – het ongedisciplineerde en weinig vechtlustige broertje – denken veel Nederlanders het recht te hebben om vervelend te zijn richting hun oosterburen. Vooral tegenover de Mannschaft.

WK
1934 – 3e
1954 – Weltmeister
1958 – 4e
1966 – 2e
1970 – 3e
1974 – Weltmeister
1982 – 2e
1986 – 2e
1990 – Weltmeister
2002 – 2e
2006 – 3e
2010 – 3e

EM
1972 – Europameister
1976 – 2e
1980 – Europameister
1992 – 2e
1996 – Europameister
2008 – 2e


Weltmeister 1974 – het trauma van Nederland


Weltmeister 1990


Weltmeister des Herzens