‘Hippoclides heeft er maling aan!’
(Dit artikel is verschenen in Spiegel Historiael, januari 1997; drs. Jason Veltmaat)

‘Zulk een sarcasme! Wie heeft jou een degelijke dialectiek geleerd? Je filosofieleraar soms?’ – ‘Ik wed dat je me nu een klap wilt geven.’ *PATS*

Die woordenwisseling had van Aristophanes kunnen zijn. Zij is echter afkomstig uit Colpire al cuore (Italië, 1982), een tragische film van Giovanni Amelo waarin een zeventienjarige jongen in opstand komt tegen zijn vader. Opvallend in Amelo’s verhaal zijn de verwijzingen naar een generatiekloof van lang geleden: grapjes in de auto over sofismen (de jongen is op school bezig met Plato c.s.) en een opmerking over Plato’s parabel van ‘de twee werelden’. In de eerste minuten van de film zitten vader en zoon met elkaar te praten; de jongen speelt, voor zich uit starend, met een sikkel: van oudsher het instrument waarmee oppergoden/vaders ontmand werden. Kumarbi castreerde zijn vader en werd oppergod van de Hittieten; Cronus castreerde en onttroonde Uranus. Opmerkelijk is de omgekeerde wereld die we in de film te zien krijgen: zoonlief kiest voor de gevestigde orde en verraadt zijn anarchistische – en naïeve – vader aan de carabinieri. Echter niet voordat pa nog éénmaal zijn gezag doet gelden, reeds wankelend in een laatste poging een brug te slaan. ‘Nu zal ik als vader aan je verwachtingen voldoen. Ik zal je voortdurend met mijn ogen volgen. Ik zal elke ademteug van je controleren. Ik wil alles van je weten.’



Had die man maar eerder geleefd. In de oudtijdse Atheense samenleving was het gezag van de vader immers zeer groot. ‘Het is de plicht van kinderen om de bevelen van hun vader op te volgen,’ zei Euripides. En: ‘Het is betamelijk om te denken zoals hij denkt.’ Een oorvijg? Va bene così. In de opvoeding van het nageslacht was slaag heel gewoon, getuige deze beschrijving door Plato: ‘Zodra een kind het gesproken woord begrijpt, wedijveren de verpleegster, de moeder, de paedagogos, jawel, zelfs de vader met elkaar om zijn karakter te verbeteren. Met elk woord en gebaar wordt het kind getoond wat recht en wat onrecht is, wat mooi en wat lelijk is, wat heilig en wat onzalig is. Het is altijd “doe dat” en “laat dat”. Wanneer een kind ongehoorzaam is, wordt het gecorrigeerd met dreigementen en klappen.’
In de tweede helft van de vijfde eeuw v.C stonden de ouders nog sterk. De wet schreef voor dat kinderen hun behoeftig geworden ouders moesten voorzien van voedsel, onderdak en t.z.t. een decente begrafenis. Aan dergelijke plichten werd een groot gewicht toegekend. Daarom werd tijdens het antecedentenonderzoek van nieuw te kiezen beambten stelselmatig gevraagd naar de wijze waarop zij hun ouders behandeld hadden. En laten we niet vergeten dat boven het hoofd van slechte zonen de toorn van Zeus en de wraakgodinnen zweefde. Plato: ‘Indien iemand zijn ouders minacht, de zonde is opgeschreven bij de goden. Zowel in dit leven als in de dood is hij gehaat bij de mensen, en onder de aarde, samen met de zondaren daar, wordt hij voor alle eeuwigheid met recht gekweld door de goden van de onderwereld die zijn aangewezen voor het toezicht op dit soort zaken.’
Het schuld- en angstcomplex dat door zulke bangmakerij veroorzaakt werd, is een van de oorzaken geweest voor de cultuuromslag die zonen en vaders van elkaar verwijderde. Nadat eeuwenlang het bevorderen en beschermen van de eigen reputatie de belangrijkste drijfveer achter iemands publieke optreden was geweest, bezweken de jongeren ‘plotseling’ onder de druk van het geweten. Een knagend geweten zou voortaan zwaarder wegen dan de waardering en bijval van een onwetend publiek.
Schaamte hoort bij een besmet blazoen, schuld hoort bij een bezwaard gemoed. De tegenstelling tussen de schaamtegeneratie en de schuldgeneratie vormt het leidmotief in Euripides’ Hippolytus. Het voorbeeld par excellence van de nieuwe generatie is de titelpersoon Hippolytus. Zijn vader Theseus en diens geliefde Phaedra vertegenwoordigen de andere (oude) wereld. Hippolytus, de in zichzelf gekeerde, te perfecte knaap, komt om het leven. ‘De opinie van anderen moet het gevolg van mijn handelen zijn,’ beweerde hij. ‘Niet de oorzaak.’ Maar hij zei ook dit: ‘Een zoon moet de bevelen van zijn vader opvolgen.’ Hij was een kind van zijn tijd.
Hippolytus en zijn leeftijdgenoten waren opgevoed in het besef dat het voortbestaan van een gemeenschap louter te danken was aan de opofferingen van de voorouders. ‘De vrees voor de voorouders en hun macht, en het bewustzijn van een open staande schuld, groeit evenredig met de macht van de stam,’ betoogt White Hayden in zijn Metahistory. Athene was zeer machtig.
Sigmund Freud gaf ons het Oedipuscomplex; Nietzsche sprak over een ‘esthetische’ strijd om de macht. Die twee hadden hun hart kunnen ophalen in het klassieke Athene. De verstandhouding tussen ouderen en jongeren was daar – aan de vooravond van een historisch generatieconflict – bijzonder complex. Vijandige gevoelens tussen de generaties werden massaal verdrongen.

Determinatie
Een schuldcomplex, omrand met angstgevoelens voor straffende goden; moest men daarmee volwassen worden? Hippolytus vond zijn eigen plekje in de tempel van het leven, zoals iedere jongeling die zichzelf zoekt. Hij vond religieuze bevrediging in een intieme, ‘persoonlijke’ relatie met Artemis, de maagdelijke godin van de jacht. Zij is de zuster van Apollo, de jonge god die zich in de Eumenides van Aeschylus standvastig te weer stelt tegen een oudere generatie van goden. De confrontatie tussen Apollo en de Erinnyen (wraakgodinnen) van het schuldcomplex past helemaal in de tweede helft van de vijfde eeuw.
Hippolytus koos voor de eenzaam jagende Artemis, niet voor Athena Promachos, de godin van de geordende polis. Athena was tot dusver een soort oudere zuster geweest voor alle adolescenten. Zij had een intieme band gehad met de jonge Achilles, en was de beschermster en raadgeefster geweest van Telemachos (de zoon van Odysseus). Zij hoorde bij Theseus, eertijds de überadolescent, nu de man die zijn eigen zoon de deur wees. Hippolytus ging zijn eigen weg, los van zijn vader Theseus. Hoe kon het zó ver komen? Een aantal oorzaken is te beredeneren.
1. De polis (volk, stad, staat) was allengs belangrijker geworden, waardoor het gezag van de vaders, binnen de patriarchale huishoudens en familieverbanden, was afgenomen. 2. De nederlagen die Athene tijdens de Peloponnesische Oorlog (431-404) geleden had, soms uitlopend op ongekende catastrofen, waren menig gezagdrager funest geworden. Het leed, het oproer, de toegenomen wreedheid in de oorlogvoering en de daarop volgende morele ontreddering hadden het voetstuk van de verantwoordelijke generatie verpulverd. 3. Door een nieuw historisch bewustzijn – dankzij Thucydides c.s. – was het verleden aanzienlijk dwingender geworden. De geschiedenis werd plotseling gedomineerd door ‘tastbare’, te doorgronden politieke en militaire gebeurtenissen; niet langer door verre homerische helden en halfgoden. Het individu werd zich steeds meer bewust van de aanspraken die het verleden en de polis op hem maakten.
De historie bestond niet meer alleen uit de verhalen van Homerus, waarin helden optraden die men kon bewonderen én op afstand kon houden. Het verleden was verworden tot de omringende werkelijkheid. Het werd de geschiedenis van de staat; het was niet langer de stamboom van het individu. ‘De intellectuele atmosfeer waarin geschiedschrijving werd geboren, kenmerkte zich door geloof in collectieve organisatievormen en vertrouwen in natuurlijke verklaringen. Het was een reactie op geloof in persoonlijke verlossing, en op de bewondering voor individuele prestaties waardoor het tijdperk van de tirannen gekarakteriseerd werd,’ aldus Arnaldo Momigliano in The development of Greek biography. Hippolytus werd dus zijn persoonlijke godin ontnomen.
De jongeren kregen, behoudens hun schuldcomplex, een nieuwe last te torsen: de determinatie van het heden. Nietzsche: ‘Een kind heeft nog niets van het verleden om te verloochenen, en het speelt in een gelukkige blindheid tussen de muren van verleden en toekomst. Zo gauw echter als het de woorden “er was eens” leert, wordt het blootgesteld aan de strijd, het leed en de verveling van het mensdom; en aan de openbaring dat het menselijk bestaan slechts een onvoltooid verleden tijd is dat nooit heden wordt.’

Blozen
De tijd was rijp voor een monsterverbond tussen opstandige jongeren en betweterige sofisten (wijze mannen). De per definitie belerende sofisten hadden immers in hun drang tot heropvoeden minstens één oogmerk gemeen met intelligente, dwarsliggende jongelingen: het afschaffen van regels en gewoontes die ‘slechts’ op traditie gegrondvest waren. Antiphon koos in het essay Over de waarheid wel heel duidelijk de zijde van de jongeren. Hij schreef dat blinde gehoorzaamheid en piëteit tegenover de ouders in strijd was met de rede, en niet in overeenstemming met de natuurwetten. Hij beweerde dat er niets moreel verkeerd was aan het negeren van wettelijke inperkingen, zodat schuldgevoelens – bijvoorbeeld tegenover de ouders – irrationeel waren.



De meeste sofisten kenden meer waarde toe aan de fysis (natuurwetten) dan aan de nomos (door mensen gemaakte wetten). Zij beweerden dat arete (efficiëntie, zelfbeheersing, manhaftigheid) beter op basis van kennis dan op basis van gehoorzaamheid kon worden ontwikkeld. In Athene heeft het democratisch bestel natuurlijk ook bijgedragen aan het zelfbewustzijn van de jongeren (neoteroi) – elke jonge man, ouder dan achttien, mocht immers zijn zegje doen – maar al te stoutmoedige jongelingen, die bijvoorbeeld meenden de volksvergadering te moeten toespreken, hoefden niet te rekenen op veel aanmoediging of bijval van de ouderen (presbyteroi). Van jongens en jonge mannen werd namelijk vooral sophrosyne (terughoudendheid, voorzichtigheid) verwacht. Sophrosyne stond in een nauwe betrekking tot aidos, het gevoel dat iemand de angst om te blozen geeft.
In de Charmides van Plato maakt Charmides, een sophron (modelknaap), kennis met Socrates. Deze vraagt hem wat het betekent een sophron te zijn. De jongen antwoordt hem dat in alles welvoeglijk gedrag en een beheerste houding getoond moet worden. Dat is Socrates te vaag. Het tweede antwoord luidt: ‘Sophrosyne is wat iemand doet blozen om bepaalde zaken.’ De ongeveer achttienjarige Hippolytus was zo’n sophron, maar er liepen ook heel andere adolescenten rond in Athene. Hippoclides bijvoorbeeld. De kreet ‘Ou frontis Hippokleidei!’ (Hippoclides heeft er maling aan!) stamt uit een anekdote van Herodotus. De wegens karakter en familieconnecties uitverkoren bruidegom Hippoclides gaat zich in Herodotus’ verhaal te buiten aan drank en ‘onbetamelijk’ dansen. ‘Zoon van Tissander, je hebt je huwelijk weggedanst!’ brult de zeer ontstemde vader van de bruid. ‘Hippoclides kan het niet schelen,’ schreeuwt de jongen vrolijk terug. Het werd een gevleugelde zegswijze aan het einde van de Peloponnesische Oorlog.

Egotisme
‘Ta hautou prattein’ (je met je eigen zaken bemoeien) kwam als uitdrukking circa 400 v.C in zwang. Een dergelijk egotisme was eigenlijk heel on-Grieks. Doordrongen van het besef dat een man enkel kon voortleven in het bloed van latere generaties – in zijn nageslacht – en/of in de herinnering van latere generaties – door onvergankelijke roem – had de Griek zich ontwikkeld tot een sociale solist. Wilde hij zijn naam levend houden, dan moest hij een stevige reputatie vestigen binnen de samenleving.
‘Vraag niet wat het vaderland voor jou kan doen, maar wat jij voor het vaderland kan doen,’ oreerde een ouderwetse Amerikaanse president. Menig Atheense tiener of twintiger, opgegroeid in de nadagen van de democratische stadstaat, zou als reactie een obsceen gebaar gemaakt hebben. De jongeling was nog wel solist, maar niet langer sociaal. Er was immers niets meer te halen. Onvergankelijke roem was een hersenspinsel geworden. Men vocht nu schouder aan schouder, naast elkaar in de rangen van de hoplieten. In de falanx, de slagorde van de polis, was iedereen gelijk. Helden zoals Achilles en Theseus bestonden niet meer. De tombe voor de eenzaam strijdende homerische held – eerbiedig gegroet door voorbijgangers – werd zinnebeeldig vervangen door het snel vervagende beeld dat de polisbewoners van hun gevallen strijdmakker bewaarden. Postuum eerbetoon verloor zijn bekoring.
De politiek werd het nieuwe podium voor eerzuchtige jonge mannen. ‘O heren Miltiades en Pericles, laat niet langer blitse, halfwassen bengels (meirakia) die het ambt van strategos om hun enkels meesleuren, ons regeren!’ schreef de komische dichter Eupolis. Hij doelde op Alcibiades, de jongeling die al vroeg (23?) een prominente plek als politicus en militair wist te veroveren.
Idealen en goede bedoelingen zijn de jeugd eigen. In hoeverre was het Athene van Alcibiades nog een heilzame habitat voor zijn minder cynische leeftijdgenoten? Vechten was vervangen door ‘wedijverend streven’ (ponos). De traditionele achting voor arete (in de zin van manhaftigheid) enerzijds en het respect voor burgerlijke deugden die een democratie laten functioneren anderzijds, bestonden naast elkaar toen de donkere wolken zich samenpakten. De massa had de macht in Athene, maar voor getalenteerde, sterke en moedige mannen bleef de gelegenheid bestaan om prestige te verwerven.
Niets aan de hand, zou je zeggen, maar er was iets veranderd. Aan het einde van de vijfde eeuw bevond de succesvolle durfal zich in een geheel andere machtspositie dan zijn voorgangers. Menigmaal bevond hij zich in een lastig parket, heen en weer geworpen tussen de wispelturige volksmassa en ‘de vijand’. Volgens Momigliano ondergingen de levensbeschrijvingen van de grote mannen, net als zijzelf, een gedaanteverandering: Miltiades, Themistocles, Leonidas, Pericles en Cleon waren dienaren van de staat; hun opvolgers waren dat niet.

Yuppen
Omstreeks 400 v.C werd Athene beredderd door machtige solisten: semi-homerische helden die in plaats van een leger een volksvergadering aanvoerden. Zij konden niet rekenen op de standvastige steun van de burgers; zij moesten zichzelf telkens opnieuw bewijzen, crisis na crisis. Tijdens de Peloponnesische oorlog was het generaalschap al niet bijster aantrekkelijk geweest: de generaals kwamen uit de oligarchische klasse; zij zaten dus gevangen tussen de wispelturige demos (het volk) van Athene en de vijandige volksmassa’s van onderworpen steden, klaar om aan de schandpaal genageld te worden – en erger. Welke jonge mannen wierpen zich nog op voor zo’n functie? Opportunisten zoals Alcibiades. Hij liet door zijn overstap naar Sparta, de aartsvijand van Athene, geen twijfel bestaan over zijn loyaliteit. Hij had uit eigenbelang de Atheense democratie gediend en dus gebruikt. In ieder conflict tussen het ambitieus nastreven van eigen doeleinden en de noden van de staat komt de staat op de tweede plaats, vertelde hij met openhartig cynisme zijn Spartaanse publiek.
De staat was de gemeenschap ontgroeid. De nieuwe bewindhebbers waren geen dienaren van het gemeenschappelijk belang, geen mannen die – zoals Miltiades en Themistocles eertijds – met gebogen hoofd accepteerden dat zij in ongenade waren gevallen. De nieuwe bestuurders waren oratoren, demagogen en arrivisten. Over de hoofden van de demos heen werden complexe zaken in sussende, uitbundige of ophitsende bewoordingen geregeld.
Er waren steeds meer complexe zaken die geregeld moesten worden. Het bestuur van de polis Athene was, mede door de enorme toename in handel en rijkdom, een zaak voor yuppen geworden. Het was niets meer voor een elitaire jongeman die de Spartaanse mentaliteit, gekenmerkt door rust en bezonnenheid, hoger achtte dan de rusteloze, opportunistische Atheense aard.
Volgens Socrates moest de man die een leider wilde zijn – en eer wilde verwerven – expertise bezitten op het terrein van revenuen, militaire krachtsverhoudingen en strategie, de mijnen, voedselvoorraden enzovoort. Zo’n man werd later door Aristoteles een praktikos genoemd. ‘Apragmones’ was al eerder de benaming voor mannen die zich ver wensten te houden van ordinaire beslommeringen. Bestond er veel verschil tussen apragmosyne en sophrosyne? Hippolytus, de sophron in optima forma, zegt: ‘Ik ben niet vaardig in het spreken voor een menigte. Ik ben beter in het praten met een paar van mijn leeftijdgenoten. Zo moet het ook zijn, want degenen die de massa weten te manipuleren, stellen niets voor in de ogen der wijzen.’
Charmides is ook al eerder naar voren geschoven. Hij verklaarde Socrates wat het betekent een sophron te zijn: ‘Ik denk dat het meer een soort van stilheid is. Dat sophrosyne “ta hautou prattein” betekent.’

Het conflict
Rijke jongemannen, veelal met sympathie voor Sparta en de Spartaanse beginselen, de homo-erotische atmosfeer van het gymnasion, een afkeer van democratische politiek en een soort van stilheid… Onverschilligheid met betrekking tot staatsperikelen, opstandigheid tegenover achterhaalde opvattingen en tradities… Veel jongeren keerden zich af van het maatschappelijk debat. Volgens schrijvende tijdgenoten gaven zij zich over aan liederlijk gedrag, slemperijen, mooiboys en geldverkwisting. Isocrates meende dat een dergelijke mentaliteit voornamelijk te vinden was binnen de groep meest veelbelovende jongens en jonge mannen.
De militaire nederlagen tijdens de Peloponnesische Oorlog en politieke onbestendigheid hebben niet geleid tot heftige confrontaties tussen de falende oudere generatie en de gedesillusioneerde jeugd: de jongeren keerden zich eenvoudig af. De jeugd bezat niet de hoop van de generatie die de snel toenemende welvaart van na de Perzische oorlogen had meegemaakt. Of de geestdrift van het Athene van Pericles. De nieuwe garde was opgevoed in een periode van onheil. Het lichtende voorbeeld voor de rebelse of tegendraadse jongens was Phidippides, de ontaarde zoon uit De wolken van Aristophanes.
Phidippides was een normale jongen, met een gezonde belangstelling voor sport en paarden, maar de ontteugelde uitgaven die bij de laatstgenoemde liefhebberij hoorden, werden te veel voor de beurs van papa. Daarom zond de man zijn zoon naar Socrates, want wijsbegeerte kostte geen geld – althans niet bij Socrates – en het bracht toch prestige met zich mee. De dialectica van Socrates (de nieuwe wijsgerige redenering met een ‘open einde’) voert Phidippides evenwel weg van de traditionele levensstijl en het oude gedachtegoed. Zingen aan tafel is ouderwets en belachelijk, meent de jongen zomaar ineens. Simonides is een slechte dichter en Aeschylus is slechts een archaïsche, zwetsende windbuil. Hier zijn de woorden van Friedrich Schiller van toepassing: ‘Schnell fertig ist die Jugend mit dem Wort.’
Na provocaties over en weer gebeurt het: Phidippides slaat zijn vader! Van de oorvijg uit het begin – uit een tragische bioscoopfilm – zijn we beland bij een regen van slagen die in Aristophanes’ komedie de verkeerde kant op gaat. Natuurlijk schiep Aristophanes binnen het vertrouwde, geruststellende raamwerk van het theater een omgekeerde wereld waar iedereen hartelijk om kon lachen, maar toch…
Elke goede Griekse komedie was meer dan enkel ‘entertainment’: het was een catharsis van angsten en spanningen die in werkelijkheid bij de mensen leefden. De Athener wist, bij het zien van De wolken, dat vader Strepsiades wel, maar de omgekeerde wereld wellicht niet meer op zijn pootjes terecht zou komen.
Aristoteles heeft ons twee zegswijzen geschonken die geen twijfel laten bestaan over de soms bittere verstandhouding tussen vaders en zonen: ‘Iemand die aan het vaderschap begint, is een dwaas.’ En: ‘Wees nooit aardig tegen een oude man.’ (Rhet. 85, 139)

Ephebie
‘Dankzij deze opleiding zul je als een heldere ster in het gymnasion schijnen, en niet zomaar een plekje vullen als pseudo-intellectueel van de agora. Jij, mijn beste jongen, zult niet op een slim-sluwe wijze muggenziften over de letter van de wet. Neen, jij zult jouw krachten meten, gekroond met een guirlande van wit gras, met een voortreffelijke en trouwe vriend, in een wedloop over het zand onder de olijfbomen – de lucht spint van tevredenheid, en buiten is de geur van kamperfoelie – het is lente – de platanen ritselen liefdevol tegen de iepen. Ah, mijn kind, als je doet wat ik zeg en je mijn houding aanneemt, dan zul je opgroeien met een glimmende borst, een schone huid, sterke armen, niet te spraakzaam, prettig om naar te kijken, prettig om te hebben. Maar ik waarschuw je wel. Indien je de tradities van het verleden verzaakt en je de nieuwerwetse opvoedingsideeën verkiest – welnu, je huid zal bleek en dun worden; lichamelijk zul je zielig onderontwikkeld en dor worden; je zult jezelf verliezen in spitsvondigheden, bewijzend dat zwart hetzelfde is als wit en slecht hetzelfde is als goed, en de nacht is de dag, en de goden weten wat nog meer. Bah. Bah. Bah. Een karnemelkgezicht.’ (Aristophanes, Wolken)