OEFENVRAGEN OUDHEID


1. Neem de kaart over (dat hoeft geen kunstwerk te zijn) en markeer met de letters A t/m E de locaties van:
A. Athene / B. Sparta / C. de berg Olympus / D. Olympia / E. Thermopylae




2. Beschrijf in het kort wat geschiedde (gebeurde) bij Thermopylae.

3.
a. Het beroemdste boek uit de Oudheid, tevens een van de beroemdste uit de wereldliteratuur, heet de Ilias. Waar gaat dit verhaal over?
b. De Ilias speelt zich af in de Archaïsche tijd. Wanneer begint en wanneer eindigt dat tijdvak?
c. Het verhaal van de Ilias werd, voordat Homerus leefde, eeuwenlang van generatie op generatie mondeling doorgegeven (orale traditie). Toch wordt Homerus als de auteur beschouwd. Verklaar dat.
d. Noem een ander boek van Homerus.

4. Waarom beschouwen we in het hedendaagse Nederland de Atheense democratie niet als een echte democratie?

5.
a. Wat was de Peloponnesische Oorlog?
b. Van wanneer tot wanneer woedde deze oorlog?
c. Wat was de afloop?

6.
a. Wat was een orakel?
b. Noem het bekendste orakel.

7.
a. In welk jaar werden de eerste Olympische Spelen gehouden?
b. Ter ere van wie organiseerden de Grieken die Spelen?
c. In een tijd van vele, zeer vele oorlogen en conflicten… Hoe zorgden de Grieken ervoor dat de atleten uit alle poleis konden deelnemen?

8. Waarom/waarvoor werd Socrates ter dood veroordeeld?

9. Verklaar het begin- en eindjaartal van de volgende tijdvakken:
A. De Klassieke Tijd.
B. Het Hellenisme.

10. Als achttienjarige voerde hij de cavalerie aan in het leger van zijn vader, in een oorlog tegen o.a. Athene en Thebe. Als twintigjarige veroverde hij een wereldrijk tot aan de Indus. Hij was koning, farao en werd vereerd als god.
a. Over wie hebben we het hier?
b. Verklaar waarom hij niet alleen als veldheer en vorst enorm belangrijk was.