‘The captain may run the ship, but I run you.’ Dat is niet zomaar een zin uit een film (The Whale, 2013); elke echte ‘captain’ weet hoeveel waarheid schuil gaat achter die paar woorden. Twee kapiteins op een schip; dat werkt niet, maar een schip met slechts één leider wordt binnen de kortste keren een speelbal van wind en water.

[drs. J. Veltmaat]

Op de Koninklijke Militaire Academie werd mij ingeprent: delegeren en controleren. In de praktijk leerde ik dat faciliteren net zo belangrijk is. Als jonge luitenant, snel opgeklommen tot plv. compagniescommandant, kwam het gelukkig niet bij mij op om de oude, ervaren adjudant die de werkplaats runde, instructies te geven met betrekking tot het onderhoud van de voertuigen. Van voertuigtechniek had ik immers geen kaas gegeten. Ieder het zijne. Wat ik wél deed, was faciliteren: hij en zijn mannen werden voorzien van alles wat zij nodig hadden om hun werk goed te doen. De tevreden adjudant en zijn (!) monteurs zorgden ervoor – met hun inzet – dat het wagenpark telkens weer inzetbaar was. En dat behoorde tot mijn (!) verantwoordelijkheden.
Elke goede officier voelt aan dat hij zijn onderofficieren hard nodig heeft. Elke generaal weet dat zelfs een briljante strategie – het toonbeeld van militair vernuft op een stafkaart – gedoemd is te mislukken als zijn officieren laks of incompetent zijn. Aan de hiërarchie binnen het leger ligt het besef ten grondslag dat de ‘span of control’ van een leider in wezen vrij klein is. Vandaar dat in leiderschap een vierde woord van niet te onderschatten importantie is: delegeren, controleren, faciliteren en… motiveren!

O Captain! my Captain! our fearful trip is done,
The ship has weather’d every rack, the prize we sought is won,
The port is near, the bells I hear, the people all exulting,
While follow eyes the steady keel, the vessel grim and daring;
[...]
(O Captain My Captain – Walt Whitman)




Het onderwijs
De armee heb ik inmiddels lang geleden achter mij gelaten. Ik ging de journalistiek in, nadat ik eerst nog ‘even’ zes jaar voltijds van een tweede studentenleven genoten had (Geschiedenis). Sinds jaar en dag ben ik redacteur van businessbladen, en ik kan vaststellen dat de meeste hedendaagse ondernemers hun werknemers naar behoren waarderen en koesteren. Wellicht kan ik beter – net als zij – de term medewerkers gebruiken. Veel bedrijven waar slecht gemotiveerd personeel rondliep, hebben de economische malaise (vijf magere jaren) niet overleefd. Het trotseren van een storm of crisis vergt inspanning. Honderd procent inzet. In lichamelijke arbeid kan een voorman of opzichter zien of iemand voldoende energie en spierkracht ‘in de strijd’ werpt; in de burelen van een bedrijf weten alleen de medewerkers zelf in hoeverre zij zichzelf belasten. Ontevreden of matig tevreden mensen-in-loondienst leveren niet de gewenste inspanning; voor hen is betrokkenheid een fremdwort. Werkgevers hebben geleerd dat medewerkers altijd compenseren: als de reiskostenvergoeding te karig is, lopen forensen de kantjes ervan af; als de arbeidsovereenkomst te weinig zekerheid biedt, laten huisvaders het privéleven altijd prevaleren. Enzovoort. Geen werkethos zonder beloning.
Tevreden medewerkers hebben niet alleen plezier in hun werk, zij stralen het ook uit. Nergens is dat beter merkbaar dan in de hotellerie, waar alles draait om ‘beleving’ en ‘imagineering’. Een hotelgast die tijdens zijn verblijf geen oprechte gastvrijheid ervaart, denkt: auf Nimmerwiedersehen. Nergens is dat beter merkbaar… Behalve wellicht op scholen.
Cinefielen weten natuurlijk wat de bovenstaande foto en ‘O Captain My Captain’ met het onderwijs te maken hebben. De foto en dichtregels zijn afkomstig uit Dead Poets Society, een film die iedere leraar gezien moet hebben. In tegenstelling tot wat menig onervaren ‘schoolmanager’ anno 2013 denkt, draait de school niet louter om de leerlingen. De school valt of staat met de docenten. Zonder bezielde, dus zeer gemotiveerde leerkrachten, is een school niets meer dan een zieltogend bedrijf.
De fout die menig schoolleider maakt, is het ‘pamperen’ van de leerlingen; alles omwille van de sfeer. Daarbij vergeet hij of zij al te vaak dat de sfeer in de klaslokalen gemaakt wordt – als het goed is – door de volwassen personen. Het plezier en de gedrevenheid van leerkrachten straalt af op de leerlingen. Tieners die binnen de muren van de lokalen – het exclusieve domein van de docenten – te maken hebben met de juiste leiders en rolmodellen, vertonen ook in de aula en op het schoolplein het gewenste gedrag. Goede docenten zijn opvoeders.
Daar hebben we het weer: leiderschap…



Formeel en informeel
De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat de meeste leerkrachten geen natuurlijke leiders zijn. Tijdens mijn postdoctorale opleiding tot leraar had ik nota bene medestudenten die zelf als scholier gepest waren. Waarom zij desalniettemin ervoor gekozen hadden om les te gaan geven aan tieners? Dachten zij dat formeel leiderschap (de positie als leraar) een verschil zou maken? Zelfs binnen het leger is een streep of ster niet voldoende: ‘op de strepen gaan staan’ is een zwaktebod. Een uniform, kostuum of mantelpakje helpt niet.
In menig schoolklas is de leraar niet de informele leider, terwijl hij of zij dat twijfelloos wel behoort te zijn. Informeel leiderschap is gebaseerd op persoonlijkheid, natuurlijk gezag en vanzelfsprekende autoriteit. Dus niet louter op kennis en ervaring. Levenswijsheid? Negen op de tien docenten zijn direct na de havo of het vwo naar de lerarenopleiding of de universiteit gegaan; vervolgens een baan binnen het onderwijs. Hun levenswijsheid strekt niet verder dan de muren van een eengezinswoning; hun ervaring is opgedaan in klaslokalen. Laten we wel zijn, nogal wat leerkrachten zijn betrekkelijk wereldvreemd. Braaf en zachtaardig van nature vragen (!) zij tieners om ‘alsjeblieft’ stil te zijn, om ‘alsjeblieft’ de boeken te openen, om ‘alsjeblieft’ geen rotzooi te trappen…
Maar ze bestaan uiteraard wel: docenten die formele én informele leiders zijn. Meestal zijn zij tevens opvoeders, soms zelfs rolmodellen. Nu komen we tot de kern van dit betoog. Deze goede en ervaren docenten worden steeds meer in het keurslijf van uniformiteit gedwongen. De reden is simpel: te veel collega’s zijn niet capabel. De leraren die zelf niet in staat zijn om goede schoolexamens te maken, krijgen uniforme schoolexamens aangereikt; zij die de cognitieve vaardigheden van hun leerlingen niet kunnen inschatten, worden voorzien van rapportagemodellen waarmee mentoren aan de slag kunnen; zij die rommelig lesgeven, worden ondersteund met de vijf dimensies van Marzano en de bedenksels van andere onderwijsgoeroes. Prima, behalve dat binnen de egalitaire samenleving van hedendaagse scholen het gezegde ‘gelijke monniken, gelijke kappen’ geldt. Docenten die zelf uitstekende schoolexamens kunnen maken, worden opgescheept met uniforme schoolexamens van inferieure kwaliteit en een middelmatig niveau; zij die wél weten wat de sterke en zwakke punten van hun leerlingen zijn, worden bestookt met bureaucratisch geneuzel; zij die creatief, interactief en contextgericht lesgeven – elke les is dus anders – moeten ergerniswekkende lesbezoekjes dulden van iemand die aan het ‘afvinken’ is.
Overigens is onlangs in het nieuws geweest dat lesbezoekjes op veel scholen misbruikt worden om dossiers te kunnen voorzien van ‘negatieve beoordelingen’. Met behulp van dergelijke beladen dossiers kunnen oudere, ervaren, dus dure docenten geloosd worden, ofwel van de loonlijst geschrapt worden. Maar dat terzijde.

Grijze muizen
Gelijke monniken, gelijke kappen… Het is een kenmerk van slecht leiderschap. Immers: als de kwaliteiten, capaciteiten en competenties van individuen niet onderkend en gewaardeerd worden, steekt ontevredenheid de kop op – gehuld in een kap, of niet. Goede docenten onderscheiden zich immers door hun persoonlijkheid; zij zijn kleurrijk, soms een beetje excentriek. Dat zijn de mannen en vrouwen die in de herinnering gekoesterd worden. Het zijn opvoeders, geen ambtenaren. Uniformiteit is de toevlucht voor grijze muizen.
Maar ja, laten we eens kijken naar de moderne schoolleider. Heeft hij zijn sporen verdiend in het onderwijs? De kans is groot dat hij (of zij) uit de wereld van managementcursussen komt. Rechtgeaarde docenten willen lesgeven; zij hebben geen aspiraties richting financiën, facilitair management en oudergesprekken. Menig rector komt van buiten de school. Het zou zomaar kunnen dat een paar van zijn docenten – zijn collega’s! – in aanmerking kwamen en zelfs aangezocht zijn voor de door hem beklede functie, doch deze niet ambieerden.
In het leger bestaan titulaire rangen. Een arts bijvoorbeeld, krijgt de rangonderscheidingstekens – en het salaris – van een kapitein of een majoor, maar het is hem uiteraard niet vergund om troepen aan te voeren. Zo zou iemand uit de managementlaag van een school ook verre moeten blijven van de klaslokalen, tenzij hij bij de leerlingen en zijn collega’s te boek staat als een van de beste leerkrachten. Maar zelfs dan… Iedere inmenging – ook in de vorm van toezicht of controle – kan de gezagspositie van docenten aantasten. En nogmaals: het draait om de docenten. Zij moeten zich veilig weten; zij moeten de vrijheid hebben om een goede relatie met hun leerlingen op te bouwen. In een school waar leerlingen onmiddellijk naar een mentor, conrector of rector rennen als zij boos zijn op, of het ‘oneens’ zijn met de leraar, is iets mis.



McDonald’s
De minister van Defensie staat formeel boven een generaal, maar hij – anno 2013 een zij – heeft geen benul van het militaire handwerk. Het zou bespottelijk zijn als de minister een generaal, kolonel of welke officier dan ook adviezen zou geven. Nochtans neemt bijvoorbeeld een conrector met relatief weinig ervaring als docent Engels, het op zich om achter in de klas te gaan zitten van een zeer ervaren, hoog aangeschreven docent Natuurkunde. Niet om iets van hem te leren, maar om te ‘beoordelen’. Wellicht past deze uitspraak van een rector in dat plaatje: ‘In elke McDonald’s krijg je precies hetzelfde; dat moet bij ons net zo zijn.’ Beste rector, in geen enkel restaurant van een fastfoodketen werkt een sterrenkok.
De generatie van twintigers en dertigers lijdt aan zelfoverschatting. Jonge leidinggevenden varen op de wijsheden afkomstig uit managementboekjes, niet beseffend dat het schrijven en uitgeven van zulke boekjes een industrie geworden is. Het schrijven van dieetboeken heeft sommigen een dikke portemonnee en vette bankrekening opgeleverd, maar hoeveel van die diëten werken echt? Hoeveel management- of onderwijsgoeroes waren als manager of docent in de praktijk succesvol?
De zelfoverschatting wordt ook gevoed door dit hersenspinsel: iedereen heeft recht (!) op respect. Edoch: buiten de relatief veilige wereld van klaslokalen en docentenkamers wordt dat ‘recht’ met voeten getreden. Respect moet je – net als vertrouwen – verdienen. Leiders die uitgaan van het recht op respect beroepen zich op formeel leiderschap. Formele leiders steunen op bureaucratie en uniformiteit. Het zijn slechte leiders.
Zwakke leiders zoeken naar de Grote Gemene Deler en verheffen de middelmaat tot norm, in de hoop daar zelf boven te kunnen staan. In de hoop dat te kunnen behappen. Altijd goed, zo’n hamburger. Maar ook hier geldt dit oude adagium: Het meerdere is de vijand van het betere.

Protocollen
In iedere organisatie – een bataljon of een bedrijf – hebben jonge leidinggevenden te maken met oudere ‘ondergeschikten’. Dat is op zich geen probleem, want de jongere heeft – als het goed is – een hogere opleiding genoten en (potentieel) meer expertise in huis. Zo niet, dan ligt zijn deskundigheid in het organiseren, faciliteren, aanvoeren en sturen. Daar wringt de schoen in het onderwijs. Op veel scholen staan mensen voor de klas die zich ook buiten de schoolmuren verdienstelijk gemaakt hebben. Jonge schoolmanagers worden geacht leiding te geven aan mensen die een hogere opleiding achter hun naam hebben staan dan zij, en aantoonbaar beter en deskundiger zijn. Sommige docenten hebben een aanzienlijk indrukwekkender cv dan de ‘leidinggevenden’: zij hebben managementfuncties bekleed op een hoger niveau dan dat van een school. Hoe geef je als jonge rector of conrector ‘sturing’ aan zulke zelfbewuste, dikwijls eigenzinnige personages?
Niet door middel van procedures en protocollen. De toverwoorden zijn: faciliteren en motiveren. En besef dat het team niet per definitie beter presteert dan de enkeling. Zoals Schiller zei: Der Starke ist am mächtigsten allein.

Leiderschap
In het bedrijfsleven onderscheidt men twee ondernemingsmodellen: het Rheinländische en het Angelsaksische. Men spreekt zelfs over Rijnlanders versus Angelsaksen. Het Angelsaksische model is egocentrisch en winstgedreven; de aandeelhouders staan centraal. In het Rheinländische model spelen andere belanghebbenden, zoals de werknemers, een belangrijke rol in de besluitvorming.
In Nederland heeft het Angelsaksische model terrein gewonnen; merkwaardig genoeg, gezien onze afhankelijkheid van Duitsland. (En gezien het economische succes van onze oosterburen.) Vreemd, want het past niet bij de Nederlandse cultuur: kil en zakelijk een bedrijf runnen.
Bij het Rheinländische model horen de begrippen duurzaamheid, maatschappelijke betrokkenheid en verantwoord ondernemen. Het onderwijs moet Rheinländisch zijn: de focus dient te liggen op de mensen, niet op de cijfers. Schoolmanagers – wellicht voor hun taak klaargestoomd met behulp van Amerikaanse en Engelse vakliteratuur – behoren allereerst het welzijn van de leerkrachten en de scholieren voor ogen te hebben.
Jonge managers hebben de neiging om zichzelf weg te cijferen voor het heil van de organisatie; zij zijn gepreoccupeerd met hun eigen toekomstperspectief, dus met hun eigen functioneren. In elke haven wacht een functioneringsgesprek. Gefocust op hun eigen welslagen of falen, cijferen zij ook hun ‘instrumenten’ weg, daarbij vergetend dat zelfs de beste dirigent goede solisten nodig heeft.
Gelouterde leiders beseffen terdege dat hun besluiten zwaarwegende gevolgen kunnen hebben voor de mensen binnen ‘hun’ organisatie. Bezuinigingen, budgetten, efficiëntie… Het zou zeer triest zijn als uitgerekend in het onderwijs, met alle hens aan dek, het menselijk aspect overboord zou slaan.

Exult O shores, and ring O bells!
But I with mournful tread,
Walk the deck my Captain lies,
Fallen cold and dead.





Zie ook: Pleidooi voor Snape