TIJD VOOR…

Grappig hoe pubers er telkens in slagen om volwassenen te bevestigen in hun ‘vooroordelen’ met betrekking tot… pubers. Neem nou die meid Laura Dekker; zij wilde solo de wereld rondzeilen en een deel van de Nederlandse bevolking achtte haar werkelijk bezonnen, verstandig, stabiel en weerbaar genoeg voor een odyssee. Laura’s vader stond klaar om haar los te laten op de zeven zeeën. Gelukkig besliste de rechter anders en werd het ‘ouderlijk gezag’ van haar papa in twijfel getrokken.

Een paar dagen geleden – nu ik dit schrijf – was zij plotseling met de noorderzon verdwenen en moest zij opgespoord worden door de politie. Weggelopen van huis dus. Oom agent vond haar terug op St.-Maarten. Een korte bestudering van Laura’s gezicht, tijdens de interviews die zij gegeven heeft, had zelfs de meest verstokte ex-hippie of ex-provo dit moeten leren: Laura is een verwend kind dat zichzelf op een bijna meelijwekkende wijze overschat. Zij behoort dan ook tot de alles-oké-generatie.

Veel te veel kinderen worden tegenwoordig niet meer gekneed, gevormd en ‘gebildet’; neen, zij worden in een rol gedwongen die zij nog lang niet aankunnen: de meebeslisser. Met kinderen wordt onderhandeld, en aangezien zij uiteraard nog niet de kennis, het inzicht en de wijsheid bezitten om de methode ‘these-antithese-synthese’ vruchtbaar te maken, komt vrijwel altijd een waterig, onbevredigend compromis bovendrijven. De opvoeding met plak en roede is, via de opvoeding met standjes en vooral beloningen, verworden tot een begeleiding waarin het respect voor de ouders ondergeschikt gemaakt is aan het respect dat kinderen zichzelf toekennen. Meebeslissen over de nieuwe auto, de vakantie, de onvermijdelijke strafmaatregelen…

Pubers krijgen vroegtijdig en onbeteugeld (!) de gelegenheid om zich te gedragen naar de aard van het beestje; zij kunnen onbelemmerd kiezen voor manipulatie, opportunisme en geweld. Aangemoedigd door de media die jongeren als een makkelijke, snel tevreden doelgroep beschouwen, en opgezweept door producenten die jongeren als een makkelijke prooi met een grenzeloze bestedingsdrang achtervolgen, voelen tieners en jonge twintigers zich de koning te rijk. King of the hill! Alles is oké! Mochten ervaren, wijze mensen vinden dat het anders moet, dan geef je die fossielen gewoon een dikke vinger! Het is immers alleen maar hun mening. Wat jij vindt is oké. Wat jij doet is oké. Gaat die bejaarde niet opzij? Wie is nou eigenlijk sterker? Pak haar tasje ook maar mee, want veel van die oudjes gebruiken nog papiergeld, en jongerenmode heeft nu eenmaal een prijs. Snel terug naar je eigen huisje in het ouderlijk huis, voor het onderhouden van de virtuele vriendenkring. Misschien weer eens tijd om te ontvrienden.

De oude Grieken wisten dat kinderen weliswaar geschapen worden door hun ouders, maar dat het daarmee niet gedaan is. Ouders doen een kind als organisme opgroeien (moedermelk, zeep, dokterbezoekjes…) en zij zorgen voor een raamwerk waarbinnen zoonlief of dochterlief in morele zin opgevoed wordt: regels in huis, de juiste vriendjes en hopelijk een goede school. De vriend ziet de geestelijke entiteit die ontstaan is; hij aanschouwt niet een afgeleide, een nakomeling of – in een mislukt geval – een kloon, maar een individu dat gestaald en gescherpt kan worden door zijn toedoen. IJzer scherpt ijzer.

De Grieken vonden het belangrijk dat zo’n vriend ouder en wijzer is. Fase 1: de ouders. Fase 2: de vriend. De mogelijkheden van ouders zijn beperkt: enerzijds doordat zij niet in staat zijn hun spruit objectief te beoordelen, anderzijds doordat jongens (meisjes waarschijnlijk ook) zich emotioneel losmaken van hun ouders. Dat ‘afstand nemen’ is een natuurlijke noodzakelijkheid. Vindt een jongeling geen nieuwe opvoeder op zijn weg, dan zal hij iemand met onontdekte en ongecultiveerde eigenschappen worden. Nu stuiten we op een probleem, want in de Westerse samenleving ‘mag’ een tiener pas na zijn schooldiploma een buitenstaander als opvoeder kiezen: de professor, de leraar op het conservatorium, de topsporttrainer, de meesterkok… (De film ‘Dead Poets Society’ getuigt van hoe het mis kan gaan.) Tot die tijd wordt een tiener afgeschermd door de omwalling van het jeugdcultuurtje (een kunstmatig fenomeen uit de 20e eeuw dat door handige reclamemakers verzonnen is) en door de muren van het ouderlijk huis (‘het gezin als hoeksteen van de samenleving’).

Een nóg groter probleem: gespeend van waardevolle rolmodellen, absorbeert de jeugd het schijnsel dat door allerlei bedenkelijke figuren uitgestraald wordt. Welke hedendaagse topvoetballers hebben sportiviteit en eer hoog in het vaandel staan? Smerige, bestiale overtredingen; onbeschoft gedrag; valse spelletjes en oneerlijke overwinningen… Toch worden deze ‘godenzonen’ door de media op een voetstuk gezet. Welke popsterren leiden een gezond en onbaatzuchtig leven? Kijk eens met een frisse blik naar de tv-persoonlijkheden van twijfelachtig allooi die al jaren de Nederlandse huiskamers en tienerslaapkamers binnendringen. Zijn Johan Derksen, Hugo Borst, Theo Maassen en Hans Teeuwen echt welkom?

Onbehouwen, platvloers, venijnig, pervers en ordinair; toch ‘beroemd’. De enige les die deze voorbeelden onze kinderen geven, is deze: Gedraag je als een botte proleet, hork of pummel; dan wordt ook jij een BN’er.

Iedereen beseft natuurlijk dat wij Nederlanders volgend jaar over een paar wereldsterren beschikken. ‘Popstars’ bedoel ik. Laten we wel zijn, de jury heeft het over ‘ongelooflijke talenten’ die ‘waanzinnig goed’ zijn. Als eenvoudige sterveling laat ik mij uiteraard meedrijven op de stroom van superlatieven die uit de monden van de vakbekwame juryleden komt. Not!

In ernst: het middelmatige wordt tegenwoordig verheven tot iets dat geprezen en gelauwerd moet worden. Jongens en meiden die gezegend zijn met enig talent (lang niet altijd noemenswaardig) worden – door louter woorden – opgestuwd tot hoogten waarop zij naar adem happend als een kaarsvlam doven. Het woord hype is eigenlijk al gedateerd: het doet geen recht aan de absurde klatergoudomkleding van de ‘wannabe’ in medialand. En onze tieners? Zij dromen van een toekomst waarin hun adagium – al iets te adagio – bewaarheid wordt: I want it all and I want it now! En liefst zonder ervoor te moeten werken.