De liefde voor jongens in de Griekse Oudheid
(Dit artikel is verschenen in Spiegel Historiael, juni 1996.)

HO PAIS KALOS

Ho pais kalos: de jongen is mooi. Over homoseksualiteit wordt tegenwoordig niet meer gefluisterd. De media brengen manmoedig homo’s in beeld: een voorste gelid van nichten en allerlei extravagante types. Goede bedoelingen ten spijt, brengen zij met een dergelijke reidans van flikkers niet de homoseksualiteit in kaart. Bestaat dé homo? Volgens veel journalisten en fotografen wel, maar de herkenbare homo is net zoiets als de herkenbare Ajax-supporter.

[drs. JASON VELTMAAT]

Als we de Gordiaanse knoop van vooroordelen en misvattingen willen doorhakken, moeten we ons verplaatsen op de kaart en in de tijd. Laten we beginnen bij Achilles, de beroemdste en meest vechtlustige homo uit de geschiedenis. Hij was trouwens een wapenbroeder van Ajax. En laten we eindigen bij Alexander de Grote, de meest ‘aanvallige’ homo. Hij had de wereld aan zijn voeten.

Ephebofilie
Meteen op de eerste bladzijde van K. J. Dovers Greek homosexuality treffen we deze stelling aan: ‘De Griekse beschaving verschilde van de onze in haar bereidheid om de afwisseling van homoseksuele en heteroseksuele voorkeuren in hetzelfde individu te erkennen, en in haar onvoorwaardelijke afwijzing van de gedachte dat die afwisseling in coëxistentie bepaalde problemen zou kunnen opleveren voor het individu of de maatschappij.’
Het ligt nogal gevoelig in de christelijke Europese cultuur, maar ook de hedendaagse jongen is gedurende een korte of langere fase ontvankelijk voor zowel homo-erotische als hetero-erotische prikkels. Tal van onderzoekers hebben beweerd en aannemelijk gemaakt dat de meeste jongens een wisselvallige seksuele ontwikkeling doormaken waarin zij zich meer dan eens in lichamelijke zin aangetrokken voelen tot seksegenoten. Een recent onderzoek wees uit dat ongeveer de helft van de tienerjongens in de VS wel eens seks heeft gehad met een jongen. ‘Voor Griekenland gold dat de dubbelzinnelijke fase die de meeste jongens doorlopen, verlengd werd,’ aldus Antony Andrewes in zijn Greek society.

Overigens moet de veelbeschreven Griekse homoseksualiteit eigenlijk pederastie heten, of nog beter ephebofilie: het object van de lustgevoelens was vrijwel altijd een jongen in zijn tienerjaren, ongeveer van 14 tot 19 (de eromenos); de minnaar (de erastes) was meestal een – in onze ogen – volwassen man. Overigens werd destijds een man pas op zijn dertigste beschouwd als een volwassen iemand; bij de Romeinen was een adolescens tussen de zeventien en dertig. Ook zo’n adolescens kon een tienerjongen als eromenos hebben.

Voortreffelijk
De fysieke schoonheid of aantrekkelijkheid van een jongen speelde – uiteraard – een belangrijke rol; talrijke marmeren en bronzen beelden van blote jongens (kouroi) tonen dat aan. Maar ook de geschreven bronnen getuigen van een onverholen bewondering voor mooi gebouwde jongenslijven. Zo vraagt de wijsgeer Socrates aan Kritias welke jongen in Taureas’ worstelschool de meest voortreffelijke is. Het antwoord komt onmiddellijk binnen in de adorabele vorm van Charmides. Iedereen geraakt in verwarring en vervoering door de schoonheid van deze knaap; iedereen is verliefd (eran) op hem. ‘Wat denk je van die knaap, Socrates?’ vraagt Chaerephon. ‘Heeft hij geen mooi gezicht?’ – ‘Wonderbaarlijk mooi.’ – ‘Welnu, als hij zijn naakte lichaam toont, vergeet je volledig dat hij ook nog een gezicht heeft. Zo overweldigend mooi is hij om naar te kijken.’

Het voyeurisme krijgt een iets minder verheven benadering in Aristophanes’ Wespen: Philokleon noemt bij de voordelen van het optreden als jurylid het kijken naar de genitaliën van de knapen wier leeftijd (achttien jaar; van belang inzake de burgerrechten) in twijfel wordt getrokken. En waarschijnlijk zal het weinigen verbazen dat de Grieken ook met betrekking tot de penis een schoonheidsideaal hadden: hij was slank, niet te groot, met een vrij lange voorhuid die voorbij de eikel tuitvormig toeloopt.



Zoals gewoonlijk staat de benadering van Plato op een filosofisch plan. In zijn Symposion laat hij door enkele personen, in een gezelschap van intellectuelen, de liefde beredeneren. ‘Ik kan voor een jongen geen grotere weldaad bedenken dan een trouwe minnaar te hebben vanaf zijn vroegste jeugd, of voor een minnaar om een trouwe geliefde te hebben,’ zegt Phaedros. ‘Schaamte voor het schandelijke en eerzucht voor het schone staan bij hem voorop [...] want het zou ondraaglijk zijn voor een man die liefheeft, om door zijn geliefde gezien te worden wanneer hij in de strijd het gelid verlaat, of zijn wapens wegwerpt, dan door alle anderen.’ – Deze overweging heeft de Thebanen ertoe gebracht om hun elite-legeronderdeel samen te stellen uit louter erastes-eromenoskoppels. Bij Tegyra versloeg deze Heilige Schare een Spartaans (!) leger dat driemaal zo groot was; bij Leuctra bevocht dit elitekorps een beslissende zege op Sparta. Bij Chaeroneia (338 v.C) sneuvelden zij tot de laatste man tegen de Macedonische koning Philippos II en zijn zoon Alexander, de latere Alexander de Grote. Nog steeds staat de imposante Leeuw van Chaeroneia op hun grafheuvel.

Scheppingsdrang
Socrates maakt onderscheid tussen mannen die een lichamelijke scheppingsdrang hebben en mannen die een scheppingsdrang in hun ziel hebben. De eersten wenden zich meer tot vrouwen, en zijn in die richting verliefd, want door het verwekken van kinderen verwerven zij onsterflijkheid en nagedachtenis. De anderen, die inzicht, bezonnenheid, rechtvaardigheid en alle overige deugden willen voortbrengen, zullen het schone zoeken om daarin te verwekken (dus jongens). In hun scheppingsdrang vinden zij immers meer behagen in schone lichamen dan in lelijke, en als zij daarin een edele en welgeschapen ziel aantreffen, begroeten zij de vereniging van die twee met warmte.
Het beminnen van één mooi lichaam moet, volgens Socrates, echter wel leiden tot vooruitgang: de ontvankelijkheid voor de schoonheid van één jongen kan door extrapolatie tot de perceptie van absolute schoonheid leiden. Van de schone lichamen tot de schone aspiraties; van de aspiraties tot de wetenschappen; om van de wetenschappen ten slotte te geraken tot kennis van dat ene schone zelf. Volgens de pure esthetische maatstaven was een welgevormde jongen, de kalos, mooier dan een goedgebouwd meisje. Bovendien werd op het gebied van deugden een meisje of vrouw niet voor vol aangezien.

Elite
‘Daar ik dacht dat hij het in ernst had voorzien op mijn schoonheid, beschouwde ik die als een buitenkansje en mijn wonderlijk geluk, omdat het mij te beurt zou vallen alles te horen wat Socrates wist, als ik hem ter wille was,’ aldus de latere generaal en politicus Alcibiades, die zichzelf graag als de eromenos van de oude wijsgeer gezien had. Dienst en wederdienst, zogezegd. Van mooie jongens werd verwacht dat zij hun lijf en vriendschap gaven aan de voortreffelijke man, niet aan de agrios, de door dierlijke instincten gedreven ‘wildeman’.
Een dergelijke filosofische benadering vinden we natuurlijk alleen in de kringen van mannen die zich zulke romantische verhoudingen konden veroorloven. De ware pederastie, ofwel knapenliefde, vinden we voornamelijk binnen de aristocratische elite. We mogen ervan uit gaan dat langs de lijnen van de palaistra (waar de jongens bloot worstelden en om het verst sprongen) en rondom het gymnasion de ‘platvloerse’ lustgevoelens de overhand hadden.

Pederastie
Integratie en superioriteitsgedrag zijn sleutelwoorden voor de pederastie die in brede lagen van de bevolking plaatsvond. In Griekenland kwamen homoseksuele handelingen bovenal voor in de rituelen rondom het volwassen worden: de jongens moesten eerst door een pederastische fase heen alvorens zij als man geaccepteerd werden.
Dat gebeurde natuurlijk ook in andere tijden en culturen. De historicus Ammianus Marcellinus (4e eeuw n.C) vertelt dat de jongens uit de stam der Taifali (Goten) aan pederastische verhoudingen onderworpen bleven tot zij hun eerste everzwijn of beer gedood hadden. In het 19e-eeuwse Albanië legde men de seksuele voorlichting in jonge handen: zestienjarige jongens moesten elk een intieme relatie aangaan met een twaalfjarige knaap. Praktijkonderricht, zonder twijfel. In het klassieke Sparta kregen alle jongens van twaalf een minnaar toegewezen die tussen de twintig en dertig was.

De gang van zaken tijdens een initiatierite op Kreta is overgeleverd door Ephoros (4e eeuw). De jongens die hun kindertijd achter zich gelaten hadden, werden ontboden naar een mannensociëteit (andreion), alwaar zij pagediensten moesten verrichten. Een enigszins appetijtelijke jongen kon erop rekenen dat hij op een gegeven ogenblik door een van de mannen ‘ontvoerd’ zou worden. De man maakte tijdig bekend wat hij van plan was, zodat de verwanten van de jongen een achtervolging in scène konden zetten die uiteindelijk zou eindigen bij de sociëteit. Hier werden geschenken uitgewisseld, waarop de man en de jongen zich twee maanden lang terugtrokken op het platteland en hun dagen vulden met jagen en plezier maken. Aan het einde van die periode gaf de man aan de jongen een krijgersmantel, een os en een wijnbeker, waarmee diens opname in de gemeenschap der mannen een feit was.

IJzer scherpt ijzer
Initiatie is een belangrijk aspect van homo-erotisch gedrag. Tal van jongens die gekozen hebben voor de viriele sfeer van jongensinternaten, ongemengde corpora en marineschepen, hebben aan den lijve ondervonden dat testosteron bakens kan verzetten. Ontgroening, ‘coördinatie’ of kennismaking; het is van oudsher een confrontatie tussen twee klassen: zij die er al zijn en zij die net komen kijken. De ontgroening betekent altijd een stap voorwaarts, een ‘rite de passage’, een opname in de gemeenschap. De coördinatieperiode is de laatste etappe in de ‘tour de jeune âge’.
Tegenwoordig komen de deelnemers in het kennismakingsproces pas aan het einde van die etappe bij elkaar, waarbij de eerder gestarte jongemannen de ‘nuldejaars’, ‘feuten’ of ‘novici’ met meer of minder uitbundig vertoon over de streep trekken. In zeker opzicht ging men bij de Grieken uit de oudheid gewetensvoller te werk. Gedurende het opgroeien werd de jonge knaap al opgenomen door een oudere jongen of een man. Griekse jongens werden vroegtijdig onder de vleugels van de moederkloeken vandaan gehaald; zonder dat zij de gelegenheid kregen om te vluchten in de koesterende omhelzing van een vriendin. Zij werden mannen in het perk van de agon, de vergelijkende, sportieve strijd; zij moesten zich voortdurend meten met andere jongens – hun gelijken. Spieren, lichamelijk kunnen, inborst, moreel en moraal… Zij werden omgeven door rolmodellen en mededingers. De liefde was geen uitweg, maar een verdienste.
Alleen degenen die deel uitmaakten van de gemeenschap konden deelnemen aan een religieus ritueel. Inwijdingen waren inherent. Een groep van gelijken benadrukte tijdens de godsdienstige beleving de onderlinge solidariteit tegenover het goddelijke. Ook personen die weinig met elkaar gemeen hadden, stonden schouder aan schouder in het aangezicht van de goden. De offerende groep was een aftekening van de gemeenschap, met een vaste hiërarchie en rangorde, maar vooral met het gevoel van participatie, hetgeen hen op niet te miskennen wijze tot gelijken maakte.
De vorming van aankomende generaties lijkt bijna de voornaamste functie van religie, daar waar het ritueel zich in belangrijke mate concentreert op de introductie van adolescenten in de wereld van de volwassenen. Daarbij hoort ook een introductie in de seksualiteit.

Erastes en eromenos
Wat de kring van welgestelden en wijsgeren in Athene voor ogen stond, was een langduriger en vruchtbaarder relatie tussen erastes en eromenos. Plato werd er zich allengs van bewust dat de rede en de liefde convergeren in een punt waar de twee samensmelten. Wijsbegeerte was voor hem geen bezigheid die in eenzame meditatie beoefend moest worden, en het was geen discipline die door een meester ‘ex cathedra’ aan zijn leerlingen onderwezen moest worden: het was een dialectische voortgang die heel goed kon beginnen bij de ontvankelijkheid van een man voor de sensuele uitstraling van een jongen, een knaap in wie schoonheid van lichaam en schoonheid van ziel verenigd waren.
Er zijn veel teksten uit Plato’s tijdperk bewaard gebleven waarin het toegeven aan homoseksuele neigingen afgekeurd wordt. De houding van de toenmalige Grieken schijnt tweeslachtig te zijn geweest, maar dat had weinig te maken met ‘exclusieve’ lustgevoelens voor de andere sekse. De afwijzing van pederastie kwam doorgaans voort uit aversie tegen de reactionaire krachten binnen de Atheense samenleving. Pederastie werd immers met veel tamtam bedreven door de vijanden van de Atheense democratie: de vaak Sparta-gezinde elite; verdedigers van de oligarchie.
We kunnen trouwens vrij eenvoudig beargumenteren dat veel van de mannen die zich aangetrokken voelden tot jonge jongens, overwegend bi- of heteroseksueel waren. Knapen hebben immers nog niet de kenmerkende gelaatstrekken, noch de lichaamsbouw, van een man; de kenmerken waarvoor echte homo’s vallen. De natuur heeft ervoor gezorgd dat mooie, maar weerloze jongens niet als concurrenten gezien worden door mannen die instinctief hun harem of territorium verdedigen. De interesse van een erastes voor een eromenos was evenwel vooral gebaseerd op esthetische en filosofische overwegingen: een jongen is het mooiste wezen; de meest eervolle en eerbare prooi; de meest vruchtbare voedingsbodem voor wijsheid.

Puritanisme
Een zeer belangrijke reden om de lichamelijke liefde voor epheboi met misnoegen te bekijken, was gelegen in het opkomende puritanisme, waarvan men in onze eeuw nog steeds niet bekomen is. De mens werd steeds nadrukkelijker voorzien van een occulte ‘ik’ met een goddelijke oorsprong. Velen gingen de ziel beschouwen als gevangene van het lichaam; alles wat met die kerker van doen had, met name lustgevoelens, diende genegeerd en onderdrukt te worden. Dierlijke driften konden geen genade vinden in de fobische, vreugdeloze ogen van degenen die het (omni)potente vreesden.

Verdoemenis uitspreken over heteroseksueel verkeer kon uiteraard niet: het voortbestaan van de menselijke soort hing af van paring. De functionele (!) geslachtsgemeenschap tussen man en vrouw werd dan ook schoorvoetend getolereerd; al het andere werd afgedaan als pure lust – dus dierlijk. Het toegeven aan masturbatie, pederastie en homoseksualiteit stond voor de aanhangers van de nieuwe leer gelijk aan het veronachtzamen van de hogere ik en de verlangens van de zuivere ziel.

Is de begeerte bevrucht, dan baart zij zonde. / Als de lust ontvangen heeft, baart zij zonde. (Jacobus 1:15)

Omstreeks 700 v.C had de mens geen ziel; men was zich daar althans niet van bewust. Homeros gaf de mens een psyche; dat ‘iets’ was een voorwaarde voor leven, maar zij oefende geen invloed uit op de geestelijke (psychische) of lichamelijke (somatische) gesteldheid. Homeros had het tevens over de thumos, een soort levend, zelfstandig orgaan dat de mens kon manipuleren en dirigeren. Het hiernamaals was een kille onderwereld waar slechts afspiegelingen of ‘apparitions’ van de gestorvenen doolden. De lichamelijke zielen stierven met het lichaam. En laten we de woorden van Sappho niet vergeten: ‘Sterven is euvel; zo toch wezen de goden uit, want anders waren zij zelf gestorven.’

Aan het einde van het archaïsche tijdperk, een periode van toenemende persoonlijke onafhankelijkheid door het verdwijnen van de aristocratische hegemonie, nam men niet langer genoegen met zo’n triest vooruitzicht. Halverwege de 5e eeuw werd de psyche onsterfelijk gemaakt en vond tevens een versmelting van psyche en thumos plaats: de nieuwe psyche werd het centrum van het bewustzijn; daarover spraken Socrates en Plato toen zij het hadden over het opvoeden van de ziel.
Volgens Plato blijven de lichamen op aarde en verdwijnt de ziel ‘in de lucht’. Aan die ziel werden steeds meer krachten toegeschreven. Voorheen was er geen sprake van een metafysische status; de ziel was niet de onwillige gevangene van ons lijf, zij was het leven, de ‘geest’ van ons lichaam. Men ging echter geloven in een losmakelijke ziel, een ziel met een goddelijke oorsprong die het lichaam (soma) zou overleven.

Orphisme
In de 5e en de 4e eeuw vóór het begin van de christelijke jaartelling verscheen een allegaartje van geschriften op de markt onder het pseudoniem Orpheus. De strekking van die pennevruchten kwam hierop neer: 1. Het lichaam is de kerker van de ziel; 2. De mens moet vegetarisch leven.
Bij dat ‘orphisme’ hoort het denkbeeld van de Titaanse Zonde, waarin deze vraag ligt besloten: Hoe komt het dat een goddelijke ‘ik’ (psyche, daemon) aan zonde onderhevig is en moet lijden? Het antwoord vinden we in een aetiologische mythe. Het kind Dionysos werd in deze verklarende mythe door de Titanen gevangen genomen en verorberd. Onmiddellijk daarop werden zij door de straffende bliksem van Zeus vernietigd. Van de rook die uit hun as opsteeg, ontsprong het ras der mensen. Dit ras heeft dus de afschuwelijke zondige inborst van de Titanen, maar tevens een heel klein beetje goddelijke zielmaterie: de ‘esse’ van Dionysos, aanwezig als occulte ‘ik’.
Het hart van Dionysos was door Athena gered, door Zeus ingeslikt, waarna door hem bij Semele de derde Dionysos verwekt werd: de Verlosser.
Het lichaam als kerker… Niet iets om te koesteren of lief te hebben. Maar tegen bepaalde vormen van homoseksueel gedrag werden ook heel zakelijke argumenten aangevoerd. Aeschines maakte een belangrijk onderscheid: ‘Het liefde opvatten voor degenen die mooi en eerbaar zijn, definieer ik als een emotie (pathos) die ervaren wordt door een ziel vol genegenheid (philanthropos) en sympathie, maar ruw wangedrag omwille van een geldelijke beloning past enkel een zelfgenoegzame (hubristes) en onopgevoede man. Het is in mijn ogen mooi en eervol om het object van eros te zijn zonder bedorven te worden, maar schandelijk om jezelf te prostitueren uit begeerte voor geld.’ Hij bedoelde de pornoi, de knapen die toegaven aan seks vanuit hebzucht. Het is mooi om het object van begeerte te zijn, maar abject om rond te lopen met een prijskaartje aan je piemel.

Eerzaam
Mannen die zich ooit geprostitueerd hadden, mochten geen bestuurlijke functies bekleden. De politieke motieven van een man die blijkbaar gekocht kon worden, waren immers niet te vertrouwen. Hieruit kunnen we ook het verschijnsel van de vlucht en achtervolging verklaren: een jongen werd niet geacht zich zomaar te geven. Wellustig gedrag werd hem overigens ook niet gemakkelijk gemaakt, want zijn vader liet doorgaans een wakend oog op hem houden door slaven met strikte opdrachten. Potentiële minnaars werden ontmoedigd. Volgens zorgzame papa’s konden zuivere, eerzame bedoelingen zich slechts door beproevingen openbaren.



Pausanias stelt in Plato’s Symposion nadrukkelijk dat de erastes die voornamelijk het lichaam van de jongen liefheeft, zijn belangstelling zal verliezen wanneer de jongen ouder wordt. Maar de erastes die liefde heeft opgevat voor het karakter van de eromenos zal zijn leven lang een goede vriend blijven, ook al houdt het beminnen op zodra de knaap een baard krijgt. De Grieken volgden de natuur: de baby, kleuter en kind zijn toegerust om vertedering op te wekken, zodat zij niet gegeten of simpelweg gedood worden door mannetjesdieren van de eigen soort; tienerjongens die kansloos zijn tegenover volwassen mannen in de strijd om territorium en dominantie, overleven dankzij hun (onbewuste) sensuele uitstraling. Volle rode lippen; een gladde, nog niet-hoekige kaaklijn; een rank gespierd, nog niet te sterk lichaam… Aantrekkelijke objecten, geen agressie opwekkende concurrenten. Het was de erastes in de publieke opinie toegestaan om zich ondergeschikt te maken (nalopen, geschenken geven) aan zo’n jongen. De eromenos werd geacht toe te geven aan degene die hem voor wat betreft zijn verstand en karakter kon verbeteren.
De vriend bezette een belangrijke plaats in het leven van de opgroeiende jongen (pais). Hij verdiende een prominent plekje naast de ouders en de professionele leermeesters. De jongen werd in de klassieke Griekse gemeenschap aanbeden in brons en marmer, maar ook zijn karakter werd met zorg omringd. De vriend markeerde de weg naar de volwassenheid.

Discriminatie
‘Jongens denken allen maar aan seks.’ Dat is waar, en het verklaart gedeeltelijk de promiscuïteit van homo’s. Maar niet iedereen is ‘vrijblijvend’ homo. Wat te denken van de liefhebbende echtgenoten die stiekem een seksuele voorkeur voor jongens of mannen hebben? Wat te denken van de macho’s en houwdegens die in het geheim ‘call-boys’ laten opdraven? In het aidstijdperk is schrijnend duidelijk geworden dat schone schijn heel ver kan gaan: sommige van de grootste vrouwenjagers en ‘echte kerels’ van het filmdoek bleken buiten het oog van de camera en de publiciteit heel anders geaard te zijn. Op hun sterfbed stopte het acteren.
‘Der deutsche Junge muss schlank und rank sein, flink wie ein Windhund, zäh wie Leder und hart als Kruppstahl,’ zei Adolf Hitler. Zelf schijnt hij geen erotische belangstelling gehad te hebben voor jongens, maar bij veel Nazi’s was dat anders, getuige deze beschrijving van de Stabswache waarmee Reichsjugendführer Baldur von Schirach graag ten tonele verscheen: ‘Vierzig schlanke, blonde, ungewöhnlich schöne Jungens von 14 bis 18 Jahren, in schwarzen Stahlhelmen und kurzen, stramm sitzenden Höschen, halb Krieger, halb Knaben. Keine Tanzmädelgruppe im Varieté kann hübscher und eleganter aussehen als diese Stabswache mit ihren kurzen Höschen und halbnackten Beinen.’ (Hans Siemsen, Die Geschichte des Hitlerjungen Adolf Goers) – In het Derde Rijk werden de ‘nichten’ vervolgd; niet de stoere kerels die ontvankelijk waren voor de schoonheid van kouroi en epheboi.

De promiscuïteit van homo’s heeft discriminatie – op basis van puritanisme/religie – in de hand gewerkt, maar de Paus ‘verbiedt’ om dezelfde reden zelfbevrediging en het gebruik van voorbehoedsmiddelen. Nogmaals, in de ogen van de kerk mag seks – redenerend vanuit een heilig beginsel – slechts onder één voorwaarde: het moet de voortplanting dienen. Als het alleen gaat om lustgevoelens en genot, begaat men een zonde. Het dierlijke – zonder een verheven doel – is zondig.
De voorkeur voor jongens in het oude Griekenland was gestoeld op esthetische, filosofische, rituele en maatschappelijke overwegingen; voor veel hedendaagse pederasten en biseksuelen zal het niet anders zijn. Maar de mens zoekt veiligheid in groepen; het zich afzetten tegen buitenstaanders bevordert het gemeenschapsgevoel binnen de eigen groep; derhalve het gevoel van geborgenheid. Vooral de zwakkeren binnen zo’n groep onderscheiden zich door discriminerend gedrag jegens andere (kleinere) groepen; zijzelf staan immer in de hoek waar meestal de klappen vallen. Zij zoeken naarstig naar een andere ‘Prügelknabe’ of ‘whippingboy’. ‘Zondebok’, zeggen we in Nederland.






Gallery Epheboi Ho pais kalos