Mei 2009 | CRISIS

Het tv-journaal wilde ons niet onwetend laten over het vreselijke lot van de ijsvogels, de afgelopen winter; die arme vogels stierven bij bosjes. Voorwaar, een schokkend onderwerp, waarvan de ernst kennelijk voorbij was gegaan aan de journaalredactie, want op luchtige toon kregen de blauwgevederde viseters nog een steek onder water: ‘Ze heten wel ijsvogels, maar ze kunnen slecht tegen de kou.’ In mijn gedachten werd de nieuwslezer begeleid door een spotlijster, want de naam ijsvogel komt van het Duitse Eisenvogel; ijzervogel dus, zo genoemd vanwege de roestbruine borst.

Erg hè, die Mexicaanse griep? O, wacht, het is toch geen wereldwijde slachting geworden; mijn vrienden, bekenden en andere landgenoten leven nog; de ons beloofde rampspoed is uitgebleven. En al die zorgelijk kijkende journalisten dan (koortsachtig naar slecht nieuw zoekend)? En al die waarschuwende wetenschappers (naar aandacht hunkerend)? En al die goedgelovige zotten? Soms denk ik dat men in onze egocentrische samenleving massaal aan Münchhausen by proxy lijdt; dat is de ware pandemie.

Misschien verkeert de na-oorlogse maatschappij in een midlifecrisis… Terugblikkend op de eerste helft van zijn leven – met als hoogtepunt de roerige jaren zestig – vraagt hij zich af: ‘Was dit nou alles?’ Iemand in een midlifecrisis verlangt naar het exceptionele, het ‘himmelhoch jauchzend’ of desnoods het ‘zum Tode betrübt’. Ooit riep iemand dat elke generatie een oorlog nodig heeft; anderen nemen genoegen met een economische crisis.
En we weten dat de meeste volwassen mensen – net als kinderen – van griezelverhalen houden. Bangmakerij is van alle tijden. De monsters uit de mythologie bestonden niet, en in de Bermudadriehoek zijn statistisch gezien niet meer schepen gezonken dan in andere drukbevaren regio’s. Nu George Bush met zijn goedlopende theatervoorstelling ‘De Terreurdreiging’ niet meer op tournee gaat, hebben we een nieuw spookbeeld omarmd: de crisis van de dertiger jaren (de beurskrach en de Great Depression). Maar iemand die in ernst gelooft dat de huidige ‘ellende’ met die van toen op één lijn gezet kan worden, is niet wijzer dan een onnozel kind.

Ergo, de hunkering naar aandacht is punt 1. Het verlangen naar iets dat de sleur van alledag verbreekt, is punt 2. De biologisch verankerde zucht naar het griezelige is punt 3. Gebrek aan kennis en inzicht is punt 4; men roept maar wat. Daarbij dient aangetekend te worden dat tegenwoordig elke onbenul een microfoon onder zijn neus geduwd krijgt, met vooraan de zogenaamde BN’ers.

Denkend aan de ijsvogel; maak uw borst maar nat, want voor mijn vijfde en laatste punt moet ik het hebben over de aard van het beestje. Is ‘onze’ preoccupatie met slecht nieuws cultuurgebonden? De inheemse Nederlanders stonden ooit bekend als een proper en calvinistisch volkje; wellicht is die properheid dusdanig in ons bewustzijn geworteld, dat we telkens naarstig op zoek gaan naar een smetje op het blazoen; naar bezwaren, nadelen, afwijkingen en zonderlingen. Dat calvinisten door roeden en ruiten gaan om met hun eigen geweten in het reine te komen, voorkomt dat zij voorbijzien aan het falen van anderen, maar vergeven en vooral gedogen ligt wél op hun pad van predestinatie. Smetvrees en calvinisme… Dat is in bange tijden geen ideale combinatie.

Hoe vult u de volgende zinnen aan? Bronnen van … (infectie, inspiratie) Gezamenlijk … (verwerken, werken) Elkaar … (troosten, helpen). Zet u de schouders eronder, of bent u een product van onze gefeminiseerde, door de linkse kerk gedomineerde samenleving? Hoewel Balkenende niet bekend staat als een aanpakker van problemen, durfde hij wel de term ‘VOC-mentaliteit’ in de mond te nemen. De zure reacties van door hippies en provo’s opgevoede moraalgrazers maakte echter onmiddellijk duidelijk dat niet Jan Cordaat en Jan Compagnie de boventoon voeren in dit land, maar Jan Salie. (Weet u nog? ‘Jan, Jannetje en hun jongste kind’, van E. J. Potgieter.)

Helaas zijn de Nederlanders tot een zwak volkje verworden. Jan Rab voelt zich hier als een paling in het water; hetzelfde geldt voor zijn uitheemse maten die zich al geruime tijd niet meer als gasten gedragen en zich opmaken voor een culturele coup d’etat. Jan Hen en Jan de Rijmer proberen met geknuffel en welgekozen woorden – of voorzichtige bewoordingen – de toekomst van onze kinderen veilig te stellen.
De autoriteiten durven niet op te treden in dit landje. Jawel, automobilisten het leven zuur maken met behulp van koddebeiers en bromsnorren die niet onderdoen voor middeleeuwse struikrovers… Jawel, hard werkende, brave belastingplichtigen het geld uit de zak kloppen middels een ondoorzichtig en benauwend belastingstelsel… Maar wordt de zware criminaliteit effectief bestreden? Wordt asociaal gedrag afdoende aangepakt? Worden de Nederlandse waarden en normen (dus de culturele identiteit) daadkrachtig beschermd? Als de overheid het laat afweten, trekt menigeen zich terug achter de eigen voordeur.

Men durft elkaar niet meer te corrigeren in dit landje. Stel je voor zeg, kritiek op een volwassen iemand leveren! Laat de collega’s maar lekker sms’en tijdens de vergadering; laat hun zonen en dochters maar lekker sms’en – met petje op – tijdens de lessen op school. Gewoon gedogen, want je zou eens ruzie kunnen krijgen…

Zijn er nog echte ondernemers – kerels en vrouwen van stavast – die niet samen naar de aapjes gaan kijken om te leren hoe zij leiding moeten geven of moeten ‘managen’? Zijn er nog doortastende doeners in dit land die geen consultants, therapeuten of cursusleiders nodig hebben? Een historicus heeft ooit geschreven (tegen het einde van de 19e eeuw, als ik het mij goed herinner uit de historiografiecolleges) dat mannelijke en vrouwelijke generaties elkaar afwisselen. Zijn stelling werd weggehoond door mijn professor. De mij omringende studenten hadden sowieso al een hekel aan het woord mannelijk, dus zij grinnikten gedwee. In zijn beperkte denkraam dacht mijn professor ongetwijfeld aan hordes stoere kerels binnen de ene generatie en kuddes verwijfde pantoffelhelden binnen de andere, maar volgens mij doelde de historicus – die wellicht de aanloop naar WOI heeft willen duiden – op avontuurlijke, strijdvaardige generaties tegenover voorzichtige vredelievende generaties.

Mannen zijn jagers en bouwers; in hun lust tot bouwen kampen zij met de neiging om alles wat er al staat of bestaat (gebouwen, politieke structuren, grenzen…) af te breken en te vernieuwen – door middel van sloop, strijd of oorlog. Zij geven hun zonen eredolken en geweren. Generaliserend gesproken zijn vrouwen gericht op huis en haard; zij stellen het welzijn van hun gezin boven de politieke of nationale idealen van de staat. Een moeder verstopt het geweer van zoonlief onder het bed, ongeacht de tijdloze tegenwerping van haar echtgenoot: ‘A man has to do what a man has to do’.

Dus, nu we economisch gezien laveren in zwaar weer; wat moet er gebeuren? Gewoon blijven bouwen, vernieuwen en ondernemen, en scherp aan de wind varen, zoals echte mannen altijd doen. In deze tijd van minstrelen, gladde kooplui en praatjes verkopende politici moeten de aanpakkers en doorzetters in het wand klimmen, de zeilen zetten, het schip op koers houden en (!) schoon schip maken. Dit is geen tijd voor emotie en lafhartig gedrag. Laat de echte kapiteins – of ‘captains of industry’ – opstaan; laat de journalisten, die allang het spoor bijster zijn, en de verdwaasd ronddolende analisten stoppen met het op stang jagen van de bevolking. Even doorbijten en deze stelregel in steen beitelen: Geld is slechts een middel en geen doel op zich. Want waar de crisis begonnen is, weten we allemaal.