De liefde voor jongens in de Griekse Oudheid

HO PAIS KALOS

Ho pais kalos: de jongen is mooi. Over homoseksualiteit wordt tegenwoordig niet meer gefluisterd. De media brengen manmoedig homo’s in beeld: een voorste gelid van nichten en allerlei extravagante types. Goede bedoelingen ten spijt, brengen zij met een dergelijke reidans van flikkers niet de homoseksualiteit in kaart. Bestaat dé homo? Volgens veel journalisten en fotografen wel, maar de herkenbare homo is net zoiets als de herkenbare Ajax-supporter.

[drs. JASON VELTMAAT]

Als we de Gordiaanse knoop van vooroordelen en misvattingen willen doorhakken, moeten we ons verplaatsen op de kaart en in de tijd. Laten we beginnen bij Achilles, de beroemdste en meest vechtlustige homo uit de geschiedenis. Hij was trouwens een wapenbroeder van Ajax. En laten we eindigen bij Alexander de Grote, de meest ‘aanvallige’ homo. Hij had de wereld aan zijn voeten.

Meteen op de eerste bladzijde van K. J. Dovers Greek homosexuality treffen we deze stelling aan: ‘De Griekse beschaving verschilde van de onze in haar bereidheid om de afwisseling van homoseksuele en heteroseksuele voorkeuren in hetzelfde individu te erkennen, en in haar onvoorwaardelijke afwijzing van de gedachte dat die afwisseling in coëxistentie bepaalde problemen zou kunnen opleveren voor het individu of de maatschappij.’
Het ligt nogal gevoelig in de christelijke Europese cultuur, maar ook de hedendaagse jongen is gedurende een korte of langere fase ontvankelijk voor zowel homo-erotische als hetero-erotische prikkels. Tal van onderzoekers hebben beweerd en aannemelijk gemaakt dat de meeste jongens een wisselvallige seksuele ontwikkeling doormaken waarin zij zich meer dan eens in lichamelijke zin aangetrokken voelen tot seksegenoten. ‘Voor Griekenland gold dat de dubbelzinnelijke fase die de meeste jongens doorlopen, verlengd werd,’ aldus Antony Andrewes in zijn Greek society.

Overigens moet de veelbeschreven Griekse homoseksualiteit eigenlijk pederastie heten, of nog beter ephebofilie: het object van de lustgevoelens was vrijwel altijd een jongen in zijn tienerjaren, ongeveer van 14 tot 19 (de eromenos); de minnaar (de erastes) was meestal een – in onze ogen – volwassen man. Overigens werd destijds een man pas op zijn dertigste beschouwd als een volwassen iemand; bij de Romeinen was een adolescens tussen de zeventien en dertig. Ook zo’n adolescens kon een tienerjongen als eromenos hebben.

Voortreffelijk
De fysieke schoonheid of aantrekkelijkheid van een jongen speelde – uiteraard – een belangrijke rol; talrijke marmeren en bronzen beelden van blote jongens (kouroi) tonen dat aan. Maar ook de geschreven bronnen getuigen van een onverholen bewondering voor mooi gebouwde jongenslijven. Zo vraagt de wijsgeer Socrates aan Kritias welke jongen in Taureas’ worstelschool de meest voortreffelijke is. Het antwoord komt onmiddellijk binnen in de adorabele vorm van Charmides. Iedereen geraakt in verwarring en vervoering door de schoonheid van deze knaap; iedereen is verliefd (eran) op hem. ‘Wat denk je van die knaap, Socrates?’ vraagt Chaerephon. ‘Heeft hij geen mooi gezicht?’ – ‘Wonderbaarlijk mooi.’ – ‘Welnu, als hij zijn naakte lichaam toont, vergeet je volledig dat hij ook nog een gezicht heeft. Zo overweldigend mooi is hij om naar te kijken.’

Het voyeurisme krijgt een iets minder verheven benadering in Aristophanes’ Wespen: Philokleon noemt bij de voordelen van het optreden als jurylid het kijken naar de genitaliën van de knapen wier leeftijd (achttien jaar; van belang inzake de burgerrechten) in twijfel wordt getrokken. En waarschijnlijk zal het weinigen verbazen dat de Grieken ook met betrekking tot de penis een schoonheidsideaal hadden: hij was slank, niet te groot, met een vrij lange voorhuid die voorbij de eikel tuitvormig toeloopt.
Zoals gewoonlijk staat de benadering van Plato op een filosofisch plan. In zijn Symposion laat hij door enkele personen, in een gezelschap van intellectuelen, de liefde beredeneren. ‘Ik kan voor een jongen geen grotere weldaad bedenken dan een trouwe minnaar te hebben vanaf zijn vroegste jeugd, of voor een minnaar om een trouwe geliefde te hebben,’ zegt Phaedros. ‘Schaamte voor het schandelijke en eerzucht voor het schone staan bij hem voorop [...] want het zou ondraaglijk zijn voor een man die liefheeft, om door zijn geliefde gezien te worden wanneer hij in de strijd het gelid verlaat, of zijn wapens wegwerpt, dan door alle anderen.’ – Deze overweging heeft de Thebanen ertoe gebracht om hun elite-legeronderdeel samen te stellen uit louter erastes-eromenoskoppels. Bij Tegyra versloeg deze Heilige Schare een Spartaans (!) leger dat driemaal zo groot was; bij Leuctra bevocht dit elitekorps een beslissende zege op Sparta. Bij Chaeroneia (338 v.C) sneuvelden zij tot de laatste man tegen de Macedonische koning Philippos II en zijn zoon Alexander, de latere Alexander de Grote. Nog steeds staat de imposante Leeuw van Chaeroneia op hun grafheuvel.
Socrates maakt onderscheid tussen mannen die een lichamelijke scheppingsdrang hebben en mannen die een scheppingsdrang in hun ziel hebben. De eersten wenden zich meer tot vrouwen, en zijn in die richting verliefd, want door het verwekken van kinderen verwerven zij onsterflijkheid en nagedachtenis. De anderen, die inzicht, bezonnenheid, rechtvaardigheid en alle overige deugden willen voortbrengen, zullen het schone zoeken om daarin te verwekken (dus jongens). In hun scheppingsdrang vinden zij immers meer behagen in schone lichamen dan in lelijke, en als zij daarin een edele en welgeschapen ziel aantreffen, begroeten zij de vereniging van die twee met warmte. Het beminnen van één mooi lichaam moet, volgens Socrates, echter wel leiden tot vooruitgang: de ontvankelijkheid voor de schoonheid van één jongen kan door extrapolatie tot de perceptie van absolute schoonheid leiden. Van de schone lichamen tot de schone aspiraties; van de aspiraties tot de wetenschappen; om van de wetenschappen ten slotte te geraken tot kennis van dat ene schone zelf. (Volgens de pure esthetische maatstaven was een welgevormde jongen, de kalos, mooier dan een goedgebouwd meisje. Bovendien werd op het gebied van deugden een meisje of vrouw niet voor vol aangezien.)

Elite
‘Daar ik dacht dat hij het in ernst had voorzien op mijn schoonheid, beschouwde ik die als een buitenkansje en mijn wonderlijk geluk, omdat het mij te beurt zou vallen alles te horen wat Socrates wist, als ik hem ter wille was,’ aldus de latere generaal en politicus Alcibiades, die zichzelf graag als de eromenos van de oude wijsgeer gezien had. Dienst en wederdienst, zogezegd. Van mooie jongens werd verwacht dat zij hun lijf en vriendschap gaven aan de voortreffelijke man, niet aan de agrios, de door dierlijke instincten gedreven ‘wildeman’.
Een dergelijke filosofische benadering vinden we natuurlijk alleen in de kringen van mannen die zich zulke romantische verhoudingen konden veroorloven. De ware pederastie, ofwel knapenliefde, vinden we voornamelijk binnen de aristocratische elite. We mogen ervan uit gaan dat langs de lijnen van de palaistra (waar de jongens bloot worstelden en om het verst sprongen) en rondom het gymnasion de ‘platvloerse’ lustgevoelens de overhand hadden.
Integratie en superioriteitsgedrag zijn sleutelwoorden voor de pederastie die in brede lagen van de bevolking plaatsvond. In Griekenland kwamen homoseksuele handelingen bovenal voor in de rituelen rondom het volwassen worden: de jongens moesten eerst door een pederastische fase heen alvorens zij als man geaccepteerd werden.
Dat gebeurde natuurlijk ook in andere tijden en culturen. De historicus Ammianus Marcellinus (4e eeuw n.C) vertelt dat de jongens uit de stam der Taifali (Goten) aan pederastische verhoudingen onderworpen bleven tot zij hun eerste everzwijn of beer gedood hadden. In het 19e-eeuwse Albanië legde men de seksuele voorlichting in jonge handen: zestienjarige jongens moesten elk een intieme relatie aangaan met een twaalfjarige knaap. Praktijkonderricht, zonder twijfel. In het klassieke Sparta kregen alle jongens van twaalf een minnaar toegewezen die tussen de twintig en dertig was. Jongens die hiervan niet gediend waren, konden rekenen op hoge boetes.
De gang van zaken tijdens een initiatierite op Kreta is overgeleverd door Ephoros (4e eeuw). De jongens die hun kindertijd achter zich gelaten hadden, werden ontboden naar een mannensociëteit (andreion), alwaar zij pagediensten moesten verrichten. Een enigszins appetijtelijke jongen kon erop rekenen dat hij op een gegeven ogenblik door een van de mannen ‘ontvoerd’ zou worden. De man maakte tijdig bekend wat hij van plan was, zodat de verwanten van de jongen een achtervolging in scène konden zetten die uiteindelijk zou eindigen bij de sociëteit. Hier werden geschenken uitgewisseld, waarop de man en de jongen zich twee maanden lang terugtrokken op het platteland en hun dagen vulden met jagen en plezier maken. Aan het einde van die periode gaf de man aan de jongen een krijgersmantel, een os en een wijnbeker, waarmee diens opname in de gemeenschap der mannen een feit was.

IJzer scherpt ijzer
Initiatie is een belangrijk aspect van homo-erotisch gedrag. Tal van jongens die gekozen hebben voor de viriele sfeer van jongensinternaten, ongemengde corpora en marineschepen, hebben aan den lijve ondervonden dat testosteron bakens kan verzetten. Ontgroening, ‘coördinatie’ of kennismaking; het is van oudsher een confrontatie tussen twee klassen: zij die er al zijn en zij die net komen kijken. De ontgroening betekent altijd een stap voorwaarts, een ‘rite de passage’, een opname in de gemeenschap. De coördinatieperiode is de laatste etappe in de ‘tour de jeune âge’.
Tegenwoordig komen de deelnemers in het kennismakingsproces pas aan het einde van die etappe bij elkaar, waarbij de eerder gestarte jongemannen de ‘nuldejaars’, ‘feuten’ of ‘novici’ met meer of minder uitbundig vertoon over de streep trekken. In zeker opzicht ging men bij de Grieken uit de oudheid gewetensvoller te werk. Gedurende het opgroeien werd de jonge knaap al opgenomen door een oudere jongen of een man. Griekse jongens werden vroegtijdig onder de vleugels van de moederkloeken vandaan gehaald; zonder dat zij de gelegenheid kregen om te vluchten in de koesterende omhelzing van een vriendin. Zij werden mannen in het perk van de agon, de vergelijkende, sportieve strijd; zij moesten zich voortdurend meten met andere jongens – hun gelijken. Spieren, lichamelijk kunnen, inborst, moreel en moraal… Zij werden omgeven door rolmodellen en mededingers. De liefde was geen uitweg, maar een verdienste.

Alleen degenen die deel uitmaakten van de gemeenschap konden deelnemen aan een religieus ritueel. Inwijdingen waren inherent. Een groep van gelijken benadrukte tijdens de godsdienstige beleving de onderlinge solidariteit tegenover het goddelijke. Ook personen die weinig met elkaar gemeen hadden, stonden schouder aan schouder in het aangezicht van de goden. De offerende groep was een aftekening van de gemeenschap, met een vaste hiërarchie en rangorde, maar vooral met het gevoel van participatie, hetgeen hen op niet te miskennen wijze tot gelijken maakte.
De vorming van aankomende generaties lijkt bijna de voornaamste functie van religie, daar waar het ritueel zich in belangrijke mate concentreert op de introductie van adolescenten in de wereld van de volwassenen. Daarbij hoort ook een introductie in de seksualiteit.

Puritanisme
Wat de kring van welgestelden en wijsgeren in Athene voor ogen stond, was een langduriger en vruchtbaarder relatie tussen erastes en eromenos. Plato werd er zich allengs van bewust dat de rede en de liefde convergeren in een punt waar de twee samensmelten. Wijsbegeerte was voor hem geen bezigheid die in eenzame meditatie beoefend moest worden, en het was geen discipline die door een meester ‘ex cathedra’ aan zijn leerlingen onderwezen moest worden: het was een dialectische voortgang die heel goed kon beginnen bij de ontvankelijkheid van een man voor de sensuele uitstraling van een jongen, een knaap in wie schoonheid van lichaam en schoonheid van ziel verenigd waren.
Er zijn veel teksten uit Plato’s tijdperk bewaard gebleven waarin het toegeven aan homoseksuele neigingen afgekeurd wordt. De houding van de toenmalige Grieken schijnt tweeslachtig te zijn geweest, maar dat had weinig te maken met ‘exclusieve’ lustgevoelens voor de andere sekse. De afwijzing van pederastie kwam doorgaans voort uit aversie tegen de reactionaire krachten binnen de Atheense samenleving. Pederastie werd immers met veel tamtam bedreven door de vijanden van de Atheense democratie: de vaak Sparta-gezinde elite; verdedigers van de oligarchie.
We kunnen trouwens vrij eenvoudig beargumenteren dat veel van de mannen die zich aangetrokken voelden tot jonge jongens, overwegend bi- of heteroseksueel waren. Knapen hebben immers nog niet de kenmerkende gelaatstrekken, noch de lichaamsbouw, van een man; de kenmerken waarvoor echte homo’s vallen. De natuur heeft ervoor gezorgd dat mooie, maar weerloze jongens niet als concurrenten gezien worden door mannen die instinctief hun harem of territorium verdedigen. Een groot aantal jongens heeft zelfs de volle rode lippen van een vrouw; een duidelijk seksueel lokkertje. De interesse van een erastes voor een eromenos was evenwel vooral gebaseerd op esthetische en filosofische overwegingen: een jongen is het mooiste wezen; de meest eervolle en eerbare prooi; de meest vruchtbare voedingsbodem voor wijsheid.
Een zeer belangrijke reden om de lichamelijke liefde voor epheboi met misnoegen te bekijken, was gelegen in het opkomende puritanisme, waarvan men in onze eeuw nog steeds niet bekomen is. De mens werd steeds nadrukkelijker voorzien van een occulte ‘ik’ met een goddelijke oorsprong. Velen gingen de ziel beschouwen als gevangene van het lichaam; alles wat met die kerker van doen had, met name lustgevoelens, diende genegeerd en onderdrukt te worden. Dierlijke driften konden geen genade vinden in de fobische, vreugdeloze ogen van degenen die het (omni)potente vreesden.
Verdoemenis uitspreken over heteroseksueel verkeer kon uiteraard niet: het voortbestaan van de menselijke soort hing af van paring. De functionele (!) geslachtsgemeenschap tussen man en vrouw werd dan ook schoorvoetend getolereerd; al het andere werd afgedaan als pure lust – dus dierlijk. Het toegeven aan masturbatie, pederastie en homoseksualiteit stond voor de aanhangers van de nieuwe leer gelijk aan het veronachtzamen van de hogere ik en de verlangens van de zuivere ziel.

Omstreeks 700 v.C had de mens geen ziel; men was zich daar althans niet van bewust. Homeros gaf de mens een psyche; dat ‘iets’ was een voorwaarde voor leven, maar zij oefende geen invloed uit op de geestelijke (psychische) of lichamelijke (somatische) gesteldheid. Homeros had het tevens over de thumos, een soort levend, zelfstandig orgaan dat de mens kon manipuleren en dirigeren. Het hiernamaals was een kille onderwereld waar slechts afspiegelingen of ‘apparitions’ van de gestorvenen doolden. De lichamelijke zielen stierven met het lichaam. En laten we de woorden van Sappho niet vergeten: ‘Sterven is euvel; zo toch wezen de goden uit, want anders waren zij zelf gestorven.’
Aan het einde van het archaïsche tijdperk, een periode van toenemende persoonlijke onafhankelijkheid door het verdwijnen van de aristocratische hegemonie, nam men niet langer genoegen met zo’n triest vooruitzicht. Halverwege de 5e eeuw werd de psyche onsterflijk gemaakt en vond teven een versmelting van psyche en thumos plaats: de nieuwe psyche werd het centrum van het bewustzijn; daarover spraken Socrates en Plato toen zij het hadden over het opvoeden van de ziel.
Volgens Plato blijven de lichamen op aarde en verdwijnt de ziel ‘in de lucht’. Aan die ziel werden steeds meer krachten toegeschreven. Voorheen was er geen sprake van een metafysische status; de ziel was niet de onwillige gevangene van ons lijf, zij was het leven, de ‘geest’ van ons lichaam. Men ging echer geloven in een losmakelijke ziel, een ziel met een goddelijke oorsprong die het lichaam (soma) zou overleven.

Orphisme
In de 5e en de 4e eeuw vóór het begin van de christelijke jaartelling verscheen een allegaartje van geschriften op de markt onder het pseudoniem Orpheus. De strekking van die penvruchten kwam hierop neer: 1. Het lichaam is de kerker van de ziel; 2. De mens moet vegetarisch leven.
Bij dat ‘orphisme’ hoort het denkbeeld van de Titaanse Zonde, waarin de vraag ligt besloten: Hoe komt het dat een goddelijke ‘ik’ (psyche, daemon) aan zonde onderhevig is en moet lijden? Het antwoord vinden we in een aetiologische mythe. Het kind Dionysos werd in deze verklarende mythe door de Titanen gevangen genomen en verorberd. Onmiddellijk daarop werden zij door de straffende bliksem van Zeus vernietigd. Van de rook die uit hun as opsteeg, ontsprong het ras der mensen. Dit ras heeft dus de afschuwelijke zondige inborst van de Titanen, maar tevens een heel klein beetje goddelijke zielmaterie: de ‘esse’ van Dionysos, aanwezig als occulte ‘ik’.
Het hart van Dionysos was door Athena gered, door Zeus ingeslikt, waarna door hem bij Semele de derde Dionysos verwekt werd: de Verlosser.
Het lichaam als kerker… Niet iets om te koesteren of lief te hebben. Maar tegen bepaalde vormen van homoseksueel gedrag werden ook heel zakelijke argumenten aangevoerd. Aeschines maakte een belangrijk onderscheid: ‘Het liefde opvatten voor degenen die mooi en eerbaar zijn, definieer ik als een emotie (pathos) die ervaren wordt door een ziel vol genegenheid (philanthropos) en sympathie, maar ruw wangedrag omwille van een geldelijke beloning past enkel een zelfgenoegzame (hubristes) en onopgevoede man. Het is in mijn ogen mooi en eervol om het object van eros te zijn zonder bedorven te worden, maar schandelijk om jezelf te prostitueren uit begeerte voor geld.’ Hij bedoelde de pornoi, de knapen die toegaven aan seks vanuit hebzucht. Het is mooi om het object van begeerte te zijn, maar abject om rond te lopen met een prijskaartje aan je piemel.

Mannen die zich ooit geprostitueerd hadden, mochten geen bestuurlijke functies bekleden. De politieke motieven van een man die blijkbaar gekocht kon worden, waren immers niet te vertrouwen. Hieruit kunnen we ook het verschijnsel van de vlucht en achtervolging verklaren: een jongen werd niet geacht zich zomaar te geven. Wellustig gedrag werd hem overigens ook niet gemakkelijk gemaakt, want zijn vader liet doorgaans een wakend oog op hem houden door slaven met strikte opdrachten. Potentiële minnaars werden ontmoedigd. Volgens zorgzame papa’s konden zuivere, eerzame bedoelingen zich slechts door beproevingen openbaren.
Pausanias stelt in Plato’s Symposion nadrukkelijk dat de erastes die voornamelijk het lichaam van de jongen liefheeft, zijn belangstelling zal verliezen wanneer de jongen ouder wordt. Maar de erastes die liefde heeft opgevat voor het karakter van de eromenos zal zijn leven lang een goede vriend blijven, ook al houdt het beminnen op zodra de knaap een baard krijgt. De Grieken volgden de natuur: de baby, kleuter en kind zijn toegerust om vertedering op te wekken, zodat zij niet gegeten of simpelweg gedood worden door mannetjesdieren van de eigen soort; tienerjongens die kansloos zijn tegenover volwassen mannen in de strijd om territorium en dominantie, overleven dankzij hun (onbewuste) sensuele uitstraling. Volle rode lippen; een gladde, nog niet-hoekige kaaklijn; een rank gespierd, nog niet te sterk lichaam… Aantrekkelijke objecten, geen agressie opwekkende concurrenten. Het was de erastes in de publieke opinie toegestaan om zich ondergeschikt te maken (nalopen, geschenken geven) aan zo’n jongen. De eromenos werd geacht toe te geven aan degene die hem voor wat betreft zijn verstand en karakter kon verbeteren.
De vriend bezette een belangrijke plaats in het leven van de opgroeiende jongen (pais). Hij verdiende een prominent plekje naast de ouders en de professionele leermeesters. De jongen werd in de klassieke Griekse gemeenschap aanbeden in brons en marmer, maar ook zijn karakter werd met zorg omringd. De vriend markeerde de weg naar de volwassenheid.

Discriminatie
‘Jongens denken allen maar aan seks.’ Dat is waar, en het verklaart gedeeltelijk de promiscuïteit van homo’s. Maar niet iedereen is ‘vrijblijvend’ homo. Wat te denken van de vele met vrouwen getrouwde mannen die eigenlijk… Wat te denken van de macho’s en houwdegens die stiekem ‘call-boys’ laten opdraven? In het aidstijdperk is schrijnend duidelijk geworden dat schone schijn heel ver kan gaan: sommige van de grootste vrouwenjagers en ‘echte kerels’ van het filmdoek bleken buiten het oog van de camera en de publiciteit heel anders geaard te zijn. Op hun sterfbed stopte het acteren.
‘Der deutsche Junge muss schlank und rank sein, flink wie ein Windhund, zäh wie Leder und hart als Kruppstahl,’ zei Adolf Hitler. Zelf schijnt hij geen erotische belangstelling gehad te hebben voor jongens, maar binnen de nazitop was dat anders, getuige de volgende beschrijving van de Stabswache waarmee Reichsjugendführer Baldur von Schirach graag ten tonele verscheen: [...] ‘vierzig schlanke, blonde, ungewöhnlich schöne Jungens von 14 bis 18 Jahren, in schwarzen Stahlhelmen und kurzen, stramm sitzenden Höschen, halb Krieger, halb Knaben. Keine Tanzmädelgruppe im Varieté kann hübscher und eleganter aussehen als diese Stabswache mit ihren kurzen Höschen und halbnackten Beinen.’ (Hans Siemsen, Die Geschichte des Hitlerjungen Adolf Goers) – In het Derde Rijk werden de ‘nichten’ vervolgd; niet de stoere, volbloed mannen die ontvankelijk waren voor de schoonheid van kouroi en epheboi.
De promiscuïteit van homo’s heeft discriminatie – op basis van puritanisme/religie – in de hand gewerkt, maar de Paus ‘verbiedt’ om dezelfde reden zelfbevrediging en het gebruik van voorbehoedsmiddelen. Nogmaals, in de ogen van de kerk mag seks – redenerend vanuit een heilig beginsel – slechts onder één voorwaarde: het moet de voortplanting dienen. Als het alleen gaat om lustgevoelens en genot, begaat men een zonde. Het dierlijke – zonder een verheven doel – is zondig.
De voorkeur voor jongens in het oude Griekenland was gestoeld op esthetische, filosofische, rituele en maatschappelijke overwegingen; voor veel hedendaagse pederasten en biseksuelen zal het niet anders zijn. Maar de mens zoekt veiligheid in groepen; het zich afzetten tegen buitenstaanders bevordert het gemeenschapsgevoel binnen de eigen groep; derhalve het gevoel van geborgenheid. Vooral de zwakkeren binnen zo’n groep onderscheiden zich door discriminerend gedrag jegens andere (kleinere) groepen; zijzelf staan immer in de hoek waar meestal de klappen vallen. Zij zoeken naarstig naar een andere ‘Prügelknabe’ of ‘whippingboy’. ‘Zondebok’, zeggen we in Nederland.


Zie ook: galerie gallery HO PAIS KALOS

Zie ook: GENERATIEKLOOF (pdf)












VAN AVER TOT AVER

Het schoolvak Geschiedenis bestaat niet (!) uit het leren van jaartallen en definities. Het verleden bestaat niet uit louter feitjes, rijtjes en begrippen. De historie is een constructie, een ambachtelijk in elkaar gezet verhaal van historici. Aan de orde komen: causaliteit, standplaatsgebondenheid, objectiviteit…

[drs. J. VELTMAAT]

De Geschiedenis is dus ook een debat zonder einde. Geen twee historici zijn het helemaal met elkaar eens. Dat maakt volgens sommigen het vak Geschiedenis onwetenschappelijk; het zij zo. Het gaat ons immers niet om formules, noch om jaartallen of andere ‘blote’ feitenkennis. Het gaat ons om het leerproces dat van iemand een zelfstandig denkend mens moet maken; een mens die op zoek gaat naar de ware aard van gebeurtenissen; een mens die zal trachten de ‘waarheid’ te achterhalen, in het besef dat er niet zoiets is als één waarheid.
In het geschiedenisonderwijs zal iedere docent zijn eigen ‘invalshoek’ hebben: de één vindt sociaal-economische aspecten belangrijk, de ander zal veel nadruk leggen op machtspolitieke factoren, weer een ander zoekt voortdurend naar geostrategische overwegingen. De één is van mening dat een groot man als Napoleon de geschiedenis naar zijn hand zette, de ander zal volhouden dat deze keizer slechts ‘een product was van de omstandigheden’.



Het is evident dat die twee docenten andere vragen aan hun leerlingen zullen stellen (en andere antwoorden zullen verwachten). Dat is niet erg. We streven er immers naar dat leerlingen een eigen mening gaan vormen.
Het doel van geschiedenisonderwijs is bestaansverheldering. Het gaat dus niet louter om feitenkennis. Voor elke school is de stelling van Pythagoras dezelfde; de betekenis van Marx niet.

Inzicht
Al ruim honderd jaar lang is de discussie gaande tussen degenen die een positivistische visie op de historische verklaring hebben, en zij die een hermeneutische visie hebben. De geschiedenis gehoorzaamt, volgens de hermeneuten, niet aan wetmatigheden: zij wordt gemaakt door het verhaal van de historici. Voor natuurwetenschappers zal dat een gruwel zijn.
Natuurlijk, er zijn genoeg rijtjes en ‘formuleringen’ in een schoolboek te vinden waarnaar geschiedenisdocenten gezamenlijk kunnen vragen, maar het deel van het schoolexamen dat betrekking heeft op het aanleren van vaardigheden, zal per school moeten verschillen, want het is docentgebonden. Tijdens het CSE toetst men, naast de kennis die louter op de leerboeken betrekking heeft, de vaardigheden die de leerlingen dankzij de inspanningen van individuele docenten hebben verkregen. Een hedendaagse geschiedenisleerling moet kunnen omgaan met begrippen als causaliteit, continuïteit, standplaatsgebondenheid, feiten en meningen.

HET IS GOED LIEGEN OP EEN AFSTAND

Het moment dat de mens als ‘nu’ ervaart, beslaat volgens psychologen slechts een vijftigste deel van een seconde. Het ‘heden’ duurt natuurlijk veel langer: zo lang als ‘vandaag’ of ‘anno 2010′. Met contemporaine (= hedendaagse) geschiedenis bedoelen we doorgaans een mensenleeftijd. Ergens trekken we, tussen onze tijd en wat er aan vooraf ging, een scheidslijn: een kunstmatige en dubieuze grens.
Het is een willekeurige grens, want de mens leeft gelijktijdig in drie werelden: de wereld die was, de wereld die is en de wereld die zal zijn. Elke nieuwe (belangrijke) ontdekking met betrekking tot het verleden verandert onze kijk op het heden, en onze verwachtingen ten aanzien van de toekomst.
Het heden geeft ZICHT op de ons omringende werkelijkheid, het verleden geeft INZICHT. Alleen de onnozelaar blijft steken in zijn eigen hedendaagse wereld: een immense leegte. De ontwikkelde mens leert dagelijks van andermans ervaringen, van andermans belevenissen. Kennis en inzicht verwerven we dankzij de medemens. Wij doen ons voordeel met de ervaringen – met het verleden dus – van anderen.

Echo’s
De menselijke samenleving is een doolhof waarin niemand zonder een groot aantal gidsen de (goede) weg kan vinden. Die gidsen (ouders, vrienden, docenten, schrijvers en andere bemoeizuchtige lieden) staan te wachten op kruispunten en splitsingen. Waar geen gidsen meer staan, omdat zij overleden zijn, moeten we gebruik maken van sporen. Daar zwerven historici, de spoorzoekers, op zoek naar vergeten gangen en kamers.

Overal in dat labyrint van het menselijk bestaan klinken de echo’s uit het verleden. Overal staan en liggen de stille getuigen van era’s perdu (de overblijfselen, restanten en ruïnes van verloren tijdperken). Historici zijn tolken voor de generaties wier taal niemand meer spreekt.
Bovenal zijn historici rondleiders: zij laten de gevolgen zien van oorlog; van economische rampspoed; van etnische en religieuze tegenstellingen; van nationalisme; van diplomatieke misverstanden en politieke besluiteloosheid; van demagogie en maatschappelijke desinteresse. De geschiedenis is een etalage van menselijk falen. Zij die niet waarnemen en vergelijken betalen dikwijls een dure prijs. Wie de geschiedenis vergeet, is gedoemd de fouten uit het verleden te herhalen. Het woord aver (nakomeling) is weliswaar in onbruik geraakt, waardoor het onnozele ‘van haver tot haver’ kon ontstaan, en vervolgens het opgeleukte ‘van haver tot gort’, maar wie maalt daarom, zolang de kinderen hun voorouders in ere houden.
In ons woord periode (peri = rond) zit het besef verborgen dat de geschiedenis zich telkens herhaalt. Historische verschijnselen en ontwikkelingen komen telkens terug in een geëvolueerde vorm; zij komen terug in de ‘eeuwige kringloop’ waaraan de hele natuur gehoorzaamt: de kringloop van bloeien, verwelken, sterven en opnieuw ontkiemen. Soms is het opnieuw ontkiemen van een afgestorven beschaving of verloren cultuur overduidelijk: na het ‘herfsttij van de Middeleeuwen’ volgde de Renaissance (van rinascita, rinascimento = wedergeboorte).
Meestal is de wederkeer wat minder dramatisch en mondiaal. In het Athene van Plato en Alcibiades, bijvoorbeeld, keerden de beter opgeleide Atheense jongelingen zich af van de maatschappij. Zij leefden louter voor het ‘nu’. Behoeften moesten volgens hen onmiddellijk bevredigd worden. Zij keken hooghartig neer op zelfbeperking en matiging. De greep van traditie op de samenleving verzwakte. Normen en waarden verdwenen. Alles wat te maken had (en heeft) met het vertrouwen in voortgang en vooruitgang, en met het geloof in continuïteit, verloor aan kracht. Klinkt dat bekend in de oren, ruim 2400 jaar later? Door de maatschappelijke omstandigheden van toen en nu met elkaar te vergelijken, krijgen we meer inzicht in hedendaagse ontwikkelingen. ‘De geschiedenis herhaalt zich, zo of bijna zo,’ zei Thucydides, de vader van de geschiedschrijving.
Het menselijk bestaan zit ingewikkeld in elkaar. Voor het omgaan met apparaten en natuurwetten is een antwoord op de vraag ‘Hoe werkt dat?’ voldoende. Dankzij gebruiksaanwijzingen en handleidingen kunnen we leven en overleven. Zwaartekracht, elektriciteit, rente… We hoeven niet eerst zelf van een toren te springen; we hoeven niet eerst zelf giftige paddestoelen te eten, want andere mensen vertellen ons ongevraagd waar het gevaar op de loer ligt. De mens is een groepsdier, een sociaal dier.
Vaardigheden, ambachten, formules… Het is een kwestie van kopiëren. Een leermeester volstaat: hij draagt zijn kennis over. Maar voor het zelfstandig leren denken, hetgeen nodig is voor het verkrijgen van een eigen moraal, voor het veroveren en consolideren van een eigen geestelijk territorium (eigen opvattingen, waardeoordelen en beginselen), en voor wijsheid (!) is kennis van het verleden onontbeerlijk.
Het menselijk leven bestaat immers niet alleen uit formules en handleidingen. Zelfs een kind vraagt al naar het waarom van oorlogen en revoluties; van armoede en slavernij; van discriminatie en rassenhaat. Een jong iemand kijkt – als het goed is – met verwondering naar kastelen en paleizen; tempels en kathedralen; stadsmuren en slotgrachten; triomfbogen en monumenten. Tenzij we het hebben over de werking van een apparaat of van een natuurkundige wet, moeten we in de geschiedenis duiken voor een antwoord. Het ‘waarom’ en het ‘waardoor’ liggen altijd in het verleden. Wat is een natie? Wat is democratie? Wat is imperialisme? De antwoorden blijven lege definities, zolang de ontstaansgeschiedenis van die fenomenen niet begrepen wordt.

Standplaats
Historia is Latijn voor onderzoek. Geschiedkundigen (historici) zoeken in het verleden naar een verklaring voor het heden. Het vak Geschiedenis heeft slechts één doel: bestaansverheldering. Historici hebben ervoor gezorgd dat allerlei aspecten van het menselijk leven begrijpelijk werden en (dus) een betekenis kregen. Zij blijven dat doen, want de geschiedenis is een ‘gebeuren’: het verleden ligt niet vast. Elke generatie heeft een eigen kijk op het verleden. Elk mens heeft een eigen standplaats.

Iemand die niet is opgegroeid in een klimaat van politieke en religieuze indoctrinatie, staat erg ver weg van fundamentalisme. Iemand die niet heeft blootgestaan aan het onrecht van Versailles, de crisis van de dertiger jaren, de propaganda van Goebbels en de bijna onweerstaanbare verlokkingen van de Hitler Jugend, staat erg ver weg van de uitwassen van het Nationaal-Socialisme.
Wat is mijn eigen standplaats? Wat zijn mijn opvattingen en vooroordelen? Waar komen mijn waarden en normen vandaan? Waar komt mijn mening vandaan? Dat zijn vragen die elk mens zich moet stellen, voordat hij uitspraken doet over een andere cultuur, of over mensen die leefden in een andere tijd. Kennis van de geschiedenis voorkomt menig vooroordeel.

Journalistiek
We weten het allemaal, sinds het Rationalisme: een mens moet afgaan op feiten. Maar wat is een feit? Lang niet altijd wat in de krant staat. Niet voor niets luidt een oud gezegde: De almanak en de krant zijn de leugenzakken van het land. Journalisten hebben vaak een bedoeling met wat zij opschrijven. Veel verslaggevers zijn partijdig, bevooroordeeld en vooringenomen.
Het ligt trouwens niet in de aard van de mens om objectief te zijn, dus elk verhaal moet met argwaan bekeken worden. Filosofen maken al eeuwenlang onderscheid tussen de realiteit (ontologie) en ons beeld van de realiteit (fenomenologie). Zij weten dat elk mens met zijn eigen ogen kijkt, met zijn eigen verstand. De Franse filosoof Descartes, levend in de zeventiende eeuw, stelde dat het subjectieve bewustzijn het palet is waarmee de kenbare realiteit wordt geschilderd. Een onderscheid dus tussen subject (degene die waarneemt) en object (het waargenomene). Subjectiviteit en objectiviteit; mooie woorden voor onwaarachtig en waarachtig? Dat valt te bezien.

ZODRA MENSEN GAAN SCANDEREN, STOPPEN ZE MET DENKEN

Voetangels
Historici moeten uitzoeken wat in het nabije of verre verleden daadwerkelijk gebeurd is. Daarbij stuiten zij op veel hindernissen. Neem het verslag van een ooggetuige. Bestond er zoiets als een ooggetuige van de slag om Stalingrad? Of de veldslag bij Kursk (2 miljoen man en 6000 tanks op het slagveld)? Niemand kon alle uithoeken van dat enorme slagveld overzien. Niemand was overal tegelijk. De historicus kan zich later slechts een beeld scheppen door tal van waarnemingen, feiten en gevolgtrekkingen bij elkaar op te tellen en in te passen.
In het dagboek van iemand die tijdens de Franse Revolutie leefde, lezen we: ‘Koning Lodewijk is door het gepeupel vermoord.’ Een ander dagboek geeft een sterk afwijkende lezing: ‘Burger Capet is door de beul terechtgesteld.’ De twee schrijvers stonden op hetzelfde plein, maar elk in een ander ‘kamp’. Het is een feit dat daar, op dat plein, destijds een man, genaamd Capet, onthoofd is; een man die voorheen koning van Frankrijk was. Woorden als ‘vermoord’ en ‘terechtgesteld’ zijn subjectief.
De taal is een veld vol met voetangels. Het woord ‘tiran’ bijvoorbeeld, is in onze tijd een zeer negatieve kwalificatie (gewelddadig alleenheerser, dwingeland). Ooit – in het oude Griekenland – was een tiran gewoon een alleenheerser; iemand wiens (oorspronkelijke) taak het was om de inwoners van een polis te beschermen tegen hardvochtige aristocraten of zelfzuchtige oligarchen. Tirannie was een geaccepteerde regeringsvorm, net als oligarchie en democratie.
Uit het taalgebruik blijkt vaak tot welk kamp, tot welke partij een verstrekker van ‘feiten’ behoort. Via de taal haalt elke partij bepaalde aspecten van feiten naar voren. De één zegt rebel of vrijheidsstrijder, de ander terrorist; de één zegt politionele actie, de ander imperialistische oorlog. De één praat over een offensief, de ander over een slachtpartij; de één bezigt de woorden ‘smart weapons’ en ‘collateral damage’, de ander ‘bommen’ en ‘burgerslachtoffers’. De geschiedenis spreekt recht; latere historici zijn de rechters die (ver)oordelen. Zij behoren te weten: de halve waarheid is een leugen. Bespreek uitvoerig iemands minpunten; zwijg over zijn pluspunten; dan houd je een schuldige over.



Tribunalen die na een oorlog – uiteraard door de overwinnaars – opgezet zijn, moeten met veel argwaan bekeken worden: niet zelden hebben de overwinnaars zich in dezelfde mate, of nog erger, schuldig gemaakt aan oorlogsmisdaden. En wat is nu eigenlijk het verschil tussen een artillerie- of luchtbombardement op een stad en een bomaanslag in een stad? Voor velen zijn Churchill (de alles verwoestende terreurbombardementen op Duitse steden), Truman (Hiroshima en Nagasaki) en Bush (Irak) oorlogsmisdadigers.

Afstand
De geschiedenis kan opgevat worden als een lange tekst. Historici doen dienst als tekstuitleggers, want er staat niet altijd wat er staat!
Laten we de Griekse mythen nemen. Om te benadrukken dat het in hun eigen samenleving toeging zoals het hoorde, zetten de Grieken graag de wereld op zijn kop. Zij schiepen in allerlei verhalen die zich afspeelden aan de rand van de Griekse wereld een samenleving die tegengestelde of wanstaltige kenmerken had. De boodschap luidde: kijk eens hoe gek het bij die buitenlanders (barbaren) geregeld is! Zulke verhalen over buitenlanders en buitenstaanders waren meestal verzinsels. Klinkt ons dat niet bekend in de oren? De Amazones bijvoorbeeld, hebben nooit bestaan… De oude Grieken hebben de Amazones opgevoerd om rolpatronen te bevestigen; feministen uit de twintigste eeuw voerden ze op om rolpatronen te doorbreken. Emancipatie struikelt niet over een mythe meer of minder. Over de seksuele voorkeur van de Griekse elite (pederasten) in de klassieke tijd zwijgt men echter in alle toonaarden. Onze schoolboekjes reppen niet over de erastes-eromenosrelatie; zij tonen geen van de talloze blote jongens die in marmer en brons vereeuwigd zijn; de epheboi en kouroi blijven onbesproken, terwijl juist zij een rol kunnen spelen in de hedendaagse strijd tegen discriminatie. Immers: andere tijden, andere zeden. Maar voor de heersende moraal is de geschiedenis geen open boek.

Leeftijd
Kennis, inschattingsvermogen en invoelingsvermogen zijn onmisbaar voor een goede kijk op menselijk gedrag. Vooral de ‘ter zake kundigheid’ ontbreekt vaak bij nieuwsredacteuren, journalisten en politici. Bovendien schromen zij dikwijls niet om in hun populistische benadering gebruik te maken van gemuteerde en gemodificeerde feiten. De feiten spreken lang niet altijd voor zich. De feiten worden niet zelden monddood gemaakt.



Onjuiste, ongetemperde en onvolledige berichtgeving kan slechts doorzien worden door mensen die verstand hebben van beweegredenen en oorzakelijke verbanden. Begrip gaat uiteraard hand in hand met kennis.
De belangstelling voor oorzaken en aanleidingen (voor historie dus) komt voor velen pas op een volwassen leeftijd. Toch denkt iedereen na over het verleden; al is het maar gisteren. Het bezit van een geheugen bewijst dat kennis van het verleden een denknoodzakelijkheid is. Kennis van het verleden is noodzakelijk voor beheersing en voor toezicht. Het is nodig voor continuïteit en voor verandering. Degene die iets wil veranderen, moet immers weten hoe dat ‘iets’ genetisch (genese = wording) in elkaar steekt, teneinde niet te vervallen in de fouten van het verleden. Het bewandelen van reeds eerder betreden paden (de gebaande wegen) is slechts zinvol als de bestemming ons aanstaat. Tieners zijn meestal blij met veilige, gebaande wegen, waar iedereen gezamenlijk overheen dendert. Twintigers en dertigers zoeken doorgaans naar alternatieven. Ouderen, wars van verandering, hebben zo veel mogelijk straten geasfalteerd.
Welke weg je ook kiest, na verloop van tijd kom je op een kruispunt. Vergeet dan niet uit welke richting je gekomen bent, want kiezen voor de weg terug heeft geen zin. Een Italiaans spreekwoord luidt: ‘Il futuro ha radici antiche.’ (De toekomst heeft oude wortels.) De Italiaanse schrijver Guereschi zei het anders: ‘Degene die het verleden vergeet, is als een boer die zaait op beton.’


De waarheid ligt nooit aan het einde van een tunnel. – JV






DE GROTE OORLOG

Onverzadigbaar als vuur, brand ik en ga in vlammen op. (Ecce Homo, Friedrich Nietzsche)

Op de elfde van de elfde 1918, om elf uur precies, kwam er een einde aan de Eerste Wereldoorlog. De elf – het gekkengetal – deed de hakkelende mitrailleurs en huilende granaten zwijgen. Elf werd het nummer van de vrede. De doden hebben het niet gehaald; talloze schietgebedjes uit loopgraven en granaattrechters ten spijt. Hun aantal bleef steken op tien miljoen. Hij is aan Nederland voorbijgegaan, maar in onze buurlanden spreken ze nog steeds van de Grote Oorlog.

[drs. JASON VELTMAAT]

Ooit, nog niet zo lang geleden, bestond het Europa van de gemeenschappelijke cultuur; het Europa van universele denkbeelden; het Europa van lange landsgrenzen waarbinnen veel volkeren leefden; een Europa zonder naties. We hebben het over ‘het Europa van de Neven’, want de belangrijke keizers en koningen waren allemaal familie van elkaar. Europa was een ‘zaak’ van de Habsburgers, de Bourbons, de Hohenzollerns en de Romanovs. Boeren, burgers en buitenlui werden – zonder onderscheid des cultuurs – vanuit paleizen in Wenen, Parijs, Berlijn of St. Petersburg geregeerd.
Men leefde nog in de standenmaatschappij: de geestelijkheid en de adel maakten de dienst uit. Mensen uit de bovenlaag van de Europese samenleving vonden elkaar in de Italiaanse Renaissance en het Franse Rationalisme; de populus (het gepeupel) werkte in het zweet zijns aanschijns, onwetend en onnozel.

Machtsevenwicht
De Franse Revolutie deed dit Europa van absolutistisch regerende vorsten op zijn grondvesten schudden; de ‘levée en masse’ (het volksleger), door de briljante veldheer Napoleon omgetoverd tot een Grande Armée, dwong keizerlijke en koninklijke huurlegers op de knieën. Napoleon maakte – voor korte tijd – een einde aan het Europa van de Neven.
Napoleon Bonaparte toonde zich een groot keizer: met zijn Code Napoléon (zijn wetboek) verwees hij de standenmaatschappij naar het verleden (iedereen was nu gelijk voor de wet); hij zorgde voor een eerlijke rechtspraak, met advocaten, getuigen en een jury; hij zorgde voor eenheid van maten en gewichten; voor openbaar onderwijs; voor de burgerlijke stand…
De Franse Revolutie had nog een gevolg: het nationalisme. Door de dienstplicht die overal in navolging van de Fransen ingevoerd werd, kwamen mannen uit alle uithoeken van een land met elkaar in contact. Zij leerden een gemeenschappelijke, ‘beschaafde’ taal spreken, omdat binnen een kazerne geen plaats is voor talloze, vaak onverstaanbare dialecten. Zij leerden dat het zoet en eervol is om voor volk en vaderland te sneuvelen. Het boertje uit de Franse Alpen, de schaapherder uit de Provence, de wijnbouwer uit de Elzas, de visser uit Le Havre en de klerk uit Parijs leerden dat zij Fransen waren.
Het begin van de 19e eeuw kenmerkte zich door oorlogen en grote maatschappelijke veranderingen. Op de woelige baren van die tijd werden veel mensen ‘losgeslagen’ en ontheemd. Zeeziek zochten zij naar veilige vluchthavens, weg van de onvoorspelbaar geworden Europese oceaan. De eenvoudige lieden gingen op zoek naar geborgenheid en continuïteit; zij groepeerden zich onder de warme deken van een eigen ‘nationale’ identiteit; zij vonden veiligheid in de eigen volksaard. De intellectuelen – hevig teleurgesteld in de beloften van het Rationalisme – waren ook van hun ‘apropos’ gebracht. Zij zochten hun toevlucht in de Romantiek: de donkere Middeleeuwen werden in een nieuw licht gezien; plaatselijke zeden en gebruiken werden aaneengevlochten tot de bakermat van de eigen cultuur; het volkseigene werd verheerlijkt. Schrijvers, dichters en schilders wierpen zich op het heldhaftige verleden. Het nationalisme kreeg wortels.

Keizer Napoleon vond in 1815 ‘zijn Waterloo’, tegenover een overmacht die zelfs hij niet kon verslaan, waaronder de onberekenbare Pruisische maarschalk Blücher (‘maarschalk Voorwaarts’). Nadat hij het veld geruimd had, kwamen de gekroonde hoofden van Europa bijeen in Wenen. Tijdens het Congres van Wenen werden landsgrenzen opnieuw getrokken; tronen werden onder elkaar verdeeld. De dynastieke monarchie had gezegevierd over het revolutionaire geweld. Noorwegen ging van de koning van Denemarken naar de koning van Zweden; Finland ging van de koning van Zweden naar de tsaar van Rusland… De Oostenrijkse Nederlanden (‘België’) en de voormalige Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden werden aaneengesmeed tot het Verenigd Koninkrijk onder de nieuwe koning Willem I van Oranje Nassau, de zoon van een verdreven stadhouder.
De inwoners van al die landen werd niets gevraagd. Het was een congres van vorsten, niet van volken. De vijf grootmachten (Engeland, Frankrijk, Oostenrijk-Hongarije, Pruisen en Rusland) streefden naar machtsevenwicht in Europa. Het Congres van Wenen zorgde tevens voor de Restauratie: de standenmaatschappij en de dynastieke monarchie werden ‘in ere hersteld’. Napoleon

Het nobele Duitsland
In 1830 en in 1848 werd Europa opnieuw opgeschrikt door opstanden en woelingen. Overal eiste de bourgeoisie (de gezeten burgerij) voor zichzelf politieke invloed op. Tronen wankelden, maar de meeste monarchen overleefden de emancipatie van de burgerij (liberalisme genoemd), ook al moesten zij verder als constitutionele vorsten, dus met een grondwet en een parlement. Het zelfbewustzijn van ‘de kleine man’ was ontwaakt. Dit zelfbewustzijn vormde de mest voor de eigen volksaard. Het liberalisme nekte de oude orde: de Europees denkende elite moest buigen voor de volkscultuur.
Tussen de vijf grootmachten liepen de spanningen op: Groot-Brittannië en Rusland stonden als kemphanen tegenover elkaar aan de grenzen van het zieltogende Osmaanse Rijk (Ottomaanse Rijk) en in Zuidwest-Azië; Groot-Brittannië en Frankrijk kruisten elkaars belangen en ambities in Afrika; Frankrijk en Oostenrijk-Hongarije zaten elkaar in de weg in Italië; Rusland en Oostenrijk-Hongarije keken allebei verlekkerd naar de Balkan en dus boos naar elkaar. Pruisen, de vijfde macht, had de handen vrij…
In 1866 en 1870/71 werden oorlogen uitgevochten die Europa een geheel ander aanzien gaven. In 1866 versloeg Pruisen (geholpen door enkele Duitse staten en Italië) Oostenrijk (geholpen door andere Duitse staten). In 1871 liet de Pruisische koning Wilhelm I zich, na de overrompeling van Frankrijk, in de spiegelzaal van het paleis van Versailles kronen tot keizer van het verenigde Duitsland. Een jaar eerder waren de troepen van het eveneens tot een eenheid gesmede Italië hun hoofdstad Rome binnengemarcheerd.
De Britse historicus Thomas Carlyle schreef in The Times: ‘Dat nobele, geduldige, vrome en betrouwbare Duitsland zou tot in lengte van dagen bijeen moeten blijven als één natie, en zou koningin van het continent moeten worden, in plaats van dat blaaskakerige, eerzuchtige, ijdele, ruziezoekende, overgevoelige Frankrijk.’

De Balkan
Europa kraakte in alle voegen: gedurende de 19e eeuw was de bevolking explosief gegroeid (een verdubbeling van 180 miljoen zielen binnen één eeuw; tussen 1815 en 1914 emigreerden 40 miljoen Europeanen). De Industriële Revolutie en de bijbehorende urbanisatie hadden alles op de kop gezet. Het keizerrijk Duitsland – de nieuwe ‘koningin van het continent’ – zocht ijverig naar een plek onder de zon. In tegenstelling tot zijn rivalen Frankrijk en Engeland had Duitsland immers geen koloniaal rijk; daarvoor was deze nieuwe grootmacht te laat op het toneel van het moderne imperialisme verschenen.
De eveneens nieuwe natie Italië – de zesde grootmacht in wording – had als hoofdstad de stad der steden, de eeuwige stad, de zetel van keizers en pausen, het symbool van imperium en continuïteit. Ergo, Romeinse ambities.
Duitsland had Frankrijk in 1870/71 vernederd. De schitterende overwinning was te danken geweest aan een grondige voorbereiding, strategisch vernuft en een verder voortgeschreden industriële ontwikkeling, maar de grootmachtstatus van Duitsland kon niet blijven duren. Het keizerrijk Duitsland lag immers ingeklemd tussen twee sterk expanderende machten: Frankrijk en Rusland. Frankrijk had een groot koloniaal rijk; Rusland had een immens territorium (bijna een zesde van het totale landoppervlak van deze planeet).
Duitsland had bovendien een ‘blok aan het been’: het in 1871 van Frankrijk afgepakte Elzas-Lotharingen. Frankrijk zou, omwille van dat omstreden grensgebied, in een toekomstige Europese oorlog zonder enige twijfel de zijde van Duitslands vijanden kiezen. Ongeacht waar en waardoor Duitsland in een oorlog betrokken zou worden, een deel van de Duitse strijdmacht zou moeten vechten aan een westfront, tegen de Fransen.
Een westfront dus, sowieso, en een oostfront was allesbehalve denkbeeldig. ‘Wees altijd een van de drie in een wereld met vijf grote machten,’ zei de belangrijke Duitse staatsman en ‘architect’ van de Duitse eenwording Otto von Bismarck, maar voor zijn opvolgers werd het steeds moeilijker om er twee te vriend te houden: Frankrijk zon op wraak; Oostenrijk en Rusland stonden elkaar naar het leven op de Balkan; het imperialistische Engeland (dat een kwart van het totale landoppervlak bezat) had heel andere belangen dan het continentaal ingestelde Duitsland.

Twee fronten
Rusland streefde – al lange tijd – naar het bezit van de oude keizerstad Constantinopel (het huidige Istanbul), eertijds de hoofdstad van het in 1453 tegen de moslims gevallen Oost-Romeinse/Byzantijnse Rijk. Net als de West-Europese keizers (tot 1806) van het Heilige Roomse Rijk (ook wel het Heilige Duitse Rijk genoemd) voelden de tsaren van Rusland zich de opvolgers van de Romeinse keizers. Een zetel in Rome of Constantinopel gaf veel prestige.
Het geostrategische belang van Constantinopel en het gebied rondom woog nog zwaarder: de Bosporus en de Dardanellen – samen de ijsvrije, nauwe doorgang tussen de Zwarte Zee en de Middellandse Zee – werden sinds 1453 beheerst door het Osmaanse Rijk (‘Turkije’). Een vrije doortocht voor de Russische koopvaardij- en marineschepen was lang niet zeker.

In 1890 werd Bismarck – een rots in de Europese branding – terzijde geschoven door zijn keizer, de wispelturige, egocentrische Wilhelm II. Onder leiding van ‘der Kaiser’ werd het ‘Bismarckiaanse’ vriendschapsverdrag met Rusland niet verlengd. De nieuwe politieke leiding van Duitsland koos voor helderheid: Wilhelm, zijn nieuwe kanselier en zijn generale staf maakten er geen geheim van dat zij – te zwaard en te vuur – schouder aan schouder zouden staan met hun broeders in Wenen. Oostenrijkers zijn immers ook Duitsers, en de hechte Zweibund tussen de twee Duitse naties bestond al sinds 1879. In 1894 vielen Frankrijk en Rusland elkaar in de armen. Het schrikbeeld van Bismarck werd een feit: de vijand stond aan twee fronten.
In 1898 nam Duitsland een tweede onheilzwangere beslissing: de bouw van een sterke oorlogsvloot. Daarmee werd een maritieme wapenwedloop met Engeland ingeluid. ‘England rules the waves’, en dat moest vooral zo blijven, vonden de Britten. Koste wat kost.
Het had allemaal nog goed kunnen gaan, maar in 1904/05 kreeg Rusland rake klappen in een oorlog met Japan. De Russische beer bleek zwakker dan gedacht. Dat zette Londen aan het denken… Frankrijk werd niet in staat geacht om alleen tegen Duitsland op te kunnen boksen; daarom zocht Engeland – tot verbijstering van Duitsland – toenadering tot het land dat sinds mensenheugenis dé rivaal van Groot-Brittannië geweest was. Nog maar kort geleden hadden de Britten en de Fransen met elkaar op voet van oorlog gestaan in Afrika; nu sloten zij de Entente Cordiale. De reden was simpel: stel dat de Duitsers het recht op het gebruik van Franse zeehavens zouden verwerven, dankzij een gewonnen oorlog, dan zouden zij in de toekomst de Britten de hegemonie op zee kunnen betwisten. Tot dusver werden de Duitse maritieme ambities gehinderd door een ‘flessenhals’: zoals de Russen last hadden van de Bosporus en de Dardanellen, hadden de Duitsers last van de voor een vijand makkelijk te blokkeren Sont.
‘England muss und werd uns kommen,’ bleven de Duitsers nochtans zeggen, er nog steeds op vertrouwend dat Engeland in een Europees conflict hun zijde zou kiezen. De Britse minister van Koloniën, Joseph Chamberlain, had toch niet zomaar in 1899 de Duitse inborst geroemd? Hij had toch niet zomaar gesproken over een bondgenootschap van het Anglo-Saksische met het Teutoonse ras?
Maar ook met hoop op een Britse toenadering wist de Duitse politiek zich niet te ontworstelen aan fatalisme. Duitsland, zo wist men, was een stagnerende macht; Frankrijk en Rusland hadden daarentegen een enorme groeipotentie. Tenzij het machtsevenwicht ten gunste van de Centralen (Duitsland en Oostenrijk-Hongarije) hersteld kon worden, moesten de wapens uitkomst bieden. Het was absoluut nodig – zo meende Wilhelm II – dat de kwijnende macht van de Zweibund-partner Oostenrijk (van oudsher het Europese bastion tegen de Turken) nieuw leven ingeblazen werd.

Onafwendbaar
De Oostenrijkse machtspositie kon enkel nog versterkt worden door uitbreiding op de Balkan, het enige gebied in Europa waar nog ‘speelruimte’ was. In 1908 had Oostenrijk Bosnië ingelijfd. Rusland had slechts geprotesteerd en geen gehoor gegeven aan het oorlogsgehuil van zijn Slavische broertje Servië. Wellicht was nu de tijd rijp voor de Oostenrijkers om verpletterend uit te halen naar Servië, daarmee definitief een einde makend aan de bedreiging die uitging van het panslavisme voor de multinationale staat Oostenrijk-Hongarije. (Servië streefde naar een Groot-Servië waarin alle Slavische volken op de Balkan – dus ook de Slaven die onder het bestuur van Wenen vielen – verenigd zouden worden.)
Een voorwendsel diende zich aan toen een oververhitte Bosnische student, genaamd Princip, de Oostenrijkse troonopvolger Franz Ferdinand op 28 juni 1914 vermoordde. Een onredelijk ultimatum van Oostenrijk-Hongarije aan Servië werd ‘onbevredigend’ beantwoord. Duitsland en Frankrijk betuigden onmiddellijk hun onwankelbare steun aan hun bondgenoten. Rusland besloot ditmaal Servië wel te steunen. Wenen verklaarde op 28 juli Servië de oorlog. De Grote Oorlog was onafwendbaar geworden, ook al waren koning George V van Engeland, keizer Wilhelm II van Duitsland en tsaar Nicolaas II van Rusland volle neven van elkaar. (Om maar even het begin van dit verhaal in de herinnering terug te roepen.)
Onafwendbaar? Jawel, want de Chef Generale Staf van Duitsland, Von Moltke, drong er bij zijn Oostenrijkse collega op aan om toch vooral door te zetten. Nu of nooit (Jetzt oder nie!) was de leus, uitgaande van de gedachte dat een preventieve oorlog de beste optie was: In 1917 zou het Russische leger – zo was de verwachting – een tegenstander van formaat zijn.
De houding van Von Moltke is verklaarbaar, want de Duitse strategie was al sinds jaar en dag afgestemd op twee beginselen: (1) er komt een tweefrontenoorlog; (2) de oorlog moet (dus) gevoerd worden volgens het ‘Von Schlieffen plan’. De vroegere chef-staf Von Schlieffen had al in 1898 besloten dat in een eventuele toekomstige oorlog eerst Frankrijk aangevallen moest worden, en dat het Franse karwei geklaard moest zijn voordat de Russische oorlogsmachine goed op stoom kon komen. De geraamde tijd voor de Russische mobilisatie was zes weken; Frankrijk moest derhalve binnen die tijd verslagen worden, zodat het voltallige Duitse leger zich vervolgens zou kunnen bezighouden met de Russen aan het oostfront. Omwille van dat krappe tijdraam (zes weken) moesten de Duitse legers door België heen, want het berg- en heuvelachtige Frans-Duitse grensgebied maakte een snelle overrompeling van de Franse legers door middel van frontale aanvallen aldaar onwaarschijnlijk.
Die beruchte ‘zes weken’ maakte tevens diplomatiek overleg tijdens de crisisdagen in juli 1914 onmogelijk: de Duitse soldaten zouden hun tijd hard nodig hebben, vanaf het moment dat Rusland ‘de bui zag hangen’.
Op 28 juli verklaart Oostenrijk de oorlog aan Servië; Rusland mobiliseert; op 1 augustus volgt de Duitse oorlogsverklaring aan Rusland; op 3 augustus trekken de Duitse legers België binnen. De kampen zijn op 12 augustus gevormd: de Centralen (Duitsland en Oostenrijk-Hongarije) tegen de Entente (Frankrijk, Groot-Brittannië, Rusland, België en Servië). De werving van bondgenoten begint. Turkije schaart zich eind oktober aan de zijde van de Centralen; Italië kiest in mei 1915 voor de Entente; Bulgarije kiest eind 1915 voor de Centralen.



Verschrikkingen
Zes maanden na augustus 1914 zit het westfront in Frankrijk muurvast. De gruwelijke loop-gravenoorlog begint. Tijdens veldslagen als bij Verdun (1916), de Somme (1916) en Passchendaele (1917) sneuvelen honderdduizenden Franse, Duitse en Britse soldaten onder het moordende vuur van mitrailleurs, mortieren en kanonnen. (Op de paar vierkante kilometer rondom Verdun worden bijna 700.000 man afgeslacht.)

Aan het westfront, het oostfront en het zuidfront sterven tijdens de Grote Oorlog onder ellendige omstandigheden ruim 2 miljoen Duitsers, bijna 2,8 miljoen Russen, 1,4 miljoen Fransen, 980.000 Britten, 876.000 Oostenrijkers en Hongaren, 600.000 Italianen, 41.000 Belgen en (na deelname van de VS op 6 april 1917) 126.000 Amerikanen.
Voor Frankrijk, Groot-Brittannië, Italië en België geldt dat zij in WOI aanzienlijk meer manschappen verloren hebben dan in WOII. (WOII: Fr 166.000, GB 390.000, It 170.000 en Bel 16.000.) In de Tweede Wereldoorlog sneuvelden 8,5 miljoen (!) Russen/Sovjetsoldaten, 3,25 Duitsers en ‘slechts’ 290.000 Amerikanen (waarvan 140.000 in Azië tegen de Japanners).
Terug naar de laatste twee jaren van de Grote Oorlog. In het oosten winnen de Duitsers (de ver teruggedrongen Russen staken de oorlog na de Oktoberrevolutie van Lenin en zijn Bolsjewieken); in het zuiden brengen de Italianen de Oostenrijkers een vernietigende nederlaag toe; in Palestina wordt het Osmaanse (Turkse) leger door de Britten opgerold. In Frankrijk zien de Duitse troepen hun kansen op de eindoverwinning slinken. De Ententelegers werken in 1918, onder leiding van de Franse maarschalk Foch, voor het eerst voorbeeldig samen en weten dus beter dan voorheen gebruik te maken van hun enorme getalsmatige overmacht. Vooral door de inzet van tanks (een Britse uitvinding) komt er beweging in het front. De Duitsers moeten zich na felle gevechten terugtrekken op de Siegfriedlinie.
Gebruik makend van hun laatste reserves weten de Duitse troepen zich – met bewonderenswaardig doorzettingsvermogen – te handhaven totdat in hun eigen land een door socialisten en communisten geleide revolutie uitbreekt. Op 9 november 1918 moet keizer Wilhelm II afstand doen van zijn troon. (Wilhelm vindt asiel in Nederland. Een uitleveringsverzoek van de Entente wordt door Nederland standvastig geweigerd.) Wilhelms vriend en oorlogsbroeder, de bejaarde Oostenrijkse keizer Franz Joseph, is in november 1916 gestorven; Wilhelms neef, tsaar Nicolaas II, is met zijn gezin in juli 1918 door de communisten vermoord.
De Eerste Wereldoorlog betekende het einde van drie Europese keizerrijken, plus de ondergang van het Osmaanse Rijk. Europa, in elk opzicht onbetwist het centrum van de wereld, was bijna leeggebloed. Uit alle werelddelen waren de soldaten gekomen om in de modder, het prikkeldraad en de granaattrechters te sterven, maar een duurzame vrede was niet bereikt. De onredelijke en onzinnige vredesbepalingen die de Centralen opgelegd kregen (vooral het ‘dictaat’ van Versailles) en de angst voor het ontketende communisme maakten de weg vrij voor autoritaire regimes, waaronder het Derde Rijk. De Eerste Wereldoorlog is dé oorzaak van de Tweede Wereldoorlog.

Uit het boek Im Westen nichts Neues, van Erich Maria Remarque: Haje Westhus wordt met een opengescheurde rug weggesleept; bij iedere ademteug zie je zijn long door de wond heen komen. Ik kan hem nog een hand geven. ‘Het is uit met me, Paul,’ kreunt hij en bijt van pijn in zijn arm. We zien mensen – die nog leven – terwijl hun schedel weggeschoten is; we zien soldaten lopen wier beide voeten zijn afgeschoten; zij strompelen op versplinterde beenstompen naar een dekking; we zien mannen zonder mond, zonder onderkaak, zonder gezicht… De zon gaat onder; de nacht komt weer; de granaten fluiten; de wereld loopt op zijn eind.

Why do you lie with your legs ungainly huddled, and one arm bent across your sullen cold exhausted face? It hurts my heart to watch you, deep-shadow’d from the candle’s guttering gold: and you wonder why I shake you by the shoulder; drowsy, you mumble and sigh and shift your head… You are too young to fall asleep forever; and when you sleep you remind me of the dead. (Siegfried Sassoon)

If you could hear, at every jolt, the blood come gargling from the froth-corrupted lungs, obscene as cancer, bitter as the cud of vile, incurable sores on innocent tongues, – my friend, you would not tell with such high zest to children ardent for some desperate glory, the old lie: Dulce et decorum est pro patria mori. (Wilfred Owen)



Zie ook: GALERIE TITANENSTRIJD






Images of the First World War and the Second World War. This time – for a change – not ‘provided’ by the Entente / the Allies or coming from Hollywood. From the boy-soldiers and the carnage of Verdun to the Hitler Jugend and the hell of Stalingrad; from the Red Baron Manfred von Richthofen to Erwin Rommel and Michael Wittmann; from the unparalleled victories and feats of the Wehrmacht to the defeat at the Eastern Front.
Beelden van de Eerste en de Tweede Wereldoorlog. Nu eens niet ‘verzorgd’ door de Entente / geallieerden of afkomstig uit Hollywood.
Gallery World Wars



Images and portraits of Pimpfe and Hitlerjungen, i.e. the boys of the German Jungvolk and the Hitler Youth. Bear in mind the prevalence of time and place. These were ordinary lads, just living in another time, raised with other beliefs and reasoning from points of view that are not predominant in our day and age.
Beelden van Pimpfe en Hitlerjungen, ofwel de jongens van het Deutsche Jungvolk (DJ) en de Hitler Jugend (HJ). Hier komt het begrip ‘standplaatsgebondenheid’ goed tot zijn recht: dit waren gewone jongens, in een andere tijd…
Gallery Hitler Jugend



The kouros and ephebe i.e boy in classical Greece. And the tale of how boys became sex objects again, despite and in defiance of religion. The much discussed Greek homosexuality should be called pederasty, or better still, ephebophilia, because the objects of desire and appetite were almost always boys (generally ages 14 to 19), from Ganymedes, Hyakinthos (Hyacinthus) and Hylas to Bagoas and Antinoös (Antinous). Ho pais kalos – the boy is beautiful. Is there a better example imaginable – in our society which is dominated by ‘Hollywood’ and the christian sexual ethics – of the prevalence of time and place? There are no ‘universal laws regarding sexual moral and behaviour’. Maybe this gallery will put the schoolboys in countenance who are homo- or bisexual (at least 30%).
De veelbeschreven Griekse homoseksualiteit moet eigenlijk pederastie heten: het object van de lustgevoelens (de eromenos) was vrijwel altijd een jonge jongen. Ho pais kalos – de jongen is mooi. Is een mooier voorbeeld denkbaar – in onze door ‘Hollywood’ en religieuze dogma’s gedomineerde samenleving – van standplaatsgebondenheid? Iemands opvattingen over seksualiteit (inbegrepen voorkeur) worden ‘geprägt’ door het tijdperk en het land waarin hij leeft, ofwel de op dat moment heersende (!) denkbeelden in zijn of haar gemeenschap. Misschien is dat een hart onder de riem voor de leerlingen (minstens 30%) die homo- of biseksueel zijn. Deze galerie hoort bij dit artikel: Ho pais kalos
Dr. Alfred Kinsey’s 1948 work Sexual Behavior in the Human Male found that 46% of the male population had engaged in both heterosexual and homosexual activities.
Boys in Ancient Greece






Mei 2009 | CRISIS

Het tv-journaal wilde ons niet onwetend laten over het vreselijke lot van de ijsvogels, de afgelopen winter; die arme vogels stierven bij bosjes. Voorwaar, een schokkend onderwerp, waarvan de ernst kennelijk voorbij was gegaan aan de journaalredactie, want op luchtige toon kregen de blauwgevederde viseters nog een steek onder water: ‘Ze heten wel ijsvogels, maar ze kunnen slecht tegen de kou.’ In mijn gedachten werd de nieuwslezer begeleid door een spotlijster, want de naam ijsvogel komt van het Duitse Eisenvogel; ijzervogel dus, zo genoemd vanwege de roestbruine borst.

Erg hè, die Mexicaanse griep? O, wacht, het is toch geen wereldwijde slachting geworden; mijn vrienden, bekenden en andere landgenoten leven nog; de ons beloofde rampspoed is uitgebleven. En al die zorgelijk kijkende journalisten dan (koortsachtig naar slecht nieuw zoekend)? En al die waarschuwende wetenschappers (naar aandacht hunkerend)? En al die goedgelovige zotten? Soms denk ik dat men in onze egocentrische samenleving massaal aan Münchhausen by proxy lijdt; dat is de ware pandemie.

Misschien verkeert de na-oorlogse maatschappij in een midlifecrisis… Terugblikkend op de eerste helft van zijn leven – met als hoogtepunt de roerige jaren zestig – vraagt hij zich af: ‘Was dit nou alles?’ Iemand in een midlifecrisis verlangt naar het exceptionele, het ‘himmelhoch jauchzend’ of desnoods het ‘zum Tode betrübt’. Ooit riep iemand dat elke generatie een oorlog nodig heeft; anderen nemen genoegen met een economische crisis.
En we weten dat de meeste volwassen mensen – net als kinderen – van griezelverhalen houden. Bangmakerij is van alle tijden. De monsters uit de mythologie bestonden niet, en in de Bermudadriehoek zijn statistisch gezien niet meer schepen gezonken dan in andere drukbevaren regio’s. Nu George Bush met zijn goedlopende theatervoorstelling ‘De Terreurdreiging’ niet meer op tournee gaat, hebben we een nieuw spookbeeld omarmd: de crisis van de dertiger jaren (de beurskrach en de Great Depression). Maar iemand die in ernst gelooft dat de huidige ‘ellende’ met die van toen op één lijn gezet kan worden, is niet wijzer dan een onnozel kind.

Ergo, de hunkering naar aandacht is punt 1. Het verlangen naar iets dat de sleur van alledag verbreekt, is punt 2. De biologisch verankerde zucht naar het griezelige is punt 3. Gebrek aan kennis en inzicht is punt 4; men roept maar wat. Daarbij dient aangetekend te worden dat tegenwoordig elke onbenul een microfoon onder zijn neus geduwd krijgt, met vooraan de zogenaamde BN’ers.

Denkend aan de ijsvogel; maak uw borst maar nat, want voor mijn vijfde en laatste punt moet ik het hebben over de aard van het beestje. Is ‘onze’ preoccupatie met slecht nieuws cultuurgebonden? De inheemse Nederlanders stonden ooit bekend als een proper en calvinistisch volkje; wellicht is die properheid dusdanig in ons bewustzijn geworteld, dat we telkens naarstig op zoek gaan naar een smetje op het blazoen; naar bezwaren, nadelen, afwijkingen en zonderlingen. Dat calvinisten door roeden en ruiten gaan om met hun eigen geweten in het reine te komen, voorkomt dat zij voorbijzien aan het falen van anderen, maar vergeven en vooral gedogen ligt wél op hun pad van predestinatie. Smetvrees en calvinisme… Dat is in bange tijden geen ideale combinatie.

Hoe vult u de volgende zinnen aan? Bronnen van … (infectie, inspiratie) Gezamenlijk … (verwerken, werken) Elkaar … (troosten, helpen). Zet u de schouders eronder, of bent u een product van onze gefeminiseerde, door de linkse kerk gedomineerde samenleving? Hoewel Balkenende niet bekend staat als een aanpakker van problemen, durfde hij wel de term ‘VOC-mentaliteit’ in de mond te nemen. De zure reacties van door hippies en provo’s opgevoede moraalgrazers maakte echter onmiddellijk duidelijk dat niet Jan Cordaat en Jan Compagnie de boventoon voeren in dit land, maar Jan Salie. (Weet u nog? ‘Jan, Jannetje en hun jongste kind’, van E. J. Potgieter.)

Helaas zijn de Nederlanders tot een zwak volkje verworden. Jan Rab voelt zich hier als een paling in het water; hetzelfde geldt voor zijn uitheemse maten die zich al geruime tijd niet meer als gasten gedragen en zich opmaken voor een culturele coup d’etat. Jan Hen en Jan de Rijmer proberen met geknuffel en welgekozen woorden – of voorzichtige bewoordingen – de toekomst van onze kinderen veilig te stellen.
De autoriteiten durven niet op te treden in dit landje. Jawel, automobilisten het leven zuur maken met behulp van koddebeiers en bromsnorren die niet onderdoen voor middeleeuwse struikrovers… Jawel, hard werkende, brave belastingplichtigen het geld uit de zak kloppen middels een ondoorzichtig en benauwend belastingstelsel… Maar wordt de zware criminaliteit effectief bestreden? Wordt asociaal gedrag afdoende aangepakt? Worden de Nederlandse waarden en normen (dus de culturele identiteit) daadkrachtig beschermd? Als de overheid het laat afweten, trekt menigeen zich terug achter de eigen voordeur.

Men durft elkaar niet meer te corrigeren in dit landje. Stel je voor zeg, kritiek op een volwassen iemand leveren! Laat de collega’s maar lekker sms’en tijdens de vergadering; laat hun zonen en dochters maar lekker sms’en – met petje op – tijdens de lessen op school. Gewoon gedogen, want je zou eens ruzie kunnen krijgen…

Zijn er nog echte ondernemers – kerels en vrouwen van stavast – die niet samen naar de aapjes gaan kijken om te leren hoe zij leiding moeten geven of moeten ‘managen’? Zijn er nog doortastende doeners in dit land die geen consultants, therapeuten of cursusleiders nodig hebben? Een historicus heeft ooit geschreven (tegen het einde van de 19e eeuw, als ik het mij goed herinner uit de historiografiecolleges) dat mannelijke en vrouwelijke generaties elkaar afwisselen. Zijn stelling werd weggehoond door mijn professor. De mij omringende studenten hadden sowieso al een hekel aan het woord mannelijk, dus zij grinnikten gedwee. In zijn beperkte denkraam dacht mijn professor ongetwijfeld aan hordes stoere kerels binnen de ene generatie en kuddes verwijfde pantoffelhelden binnen de andere, maar volgens mij doelde de historicus – die wellicht de aanloop naar WOI heeft willen duiden – op avontuurlijke, strijdvaardige generaties tegenover voorzichtige vredelievende generaties.

Mannen zijn jagers en bouwers; in hun lust tot bouwen kampen zij met de neiging om alles wat er al staat of bestaat (gebouwen, politieke structuren, grenzen…) af te breken en te vernieuwen – door middel van sloop, strijd of oorlog. Zij geven hun zonen eredolken en geweren. Generaliserend gesproken zijn vrouwen gericht op huis en haard; zij stellen het welzijn van hun gezin boven de politieke of nationale idealen van de staat. Een moeder verstopt het geweer van zoonlief onder het bed, ongeacht de tijdloze tegenwerping van haar echtgenoot: ‘A man has to do what a man has to do’.

Dus, nu we economisch gezien laveren in zwaar weer; wat moet er gebeuren? Gewoon blijven bouwen, vernieuwen en ondernemen, en scherp aan de wind varen, zoals echte mannen altijd doen. In deze tijd van minstrelen, gladde kooplui en praatjes verkopende politici moeten de aanpakkers en doorzetters in het wand klimmen, de zeilen zetten, het schip op koers houden en (!) schoon schip maken. Dit is geen tijd voor emotie en lafhartig gedrag. Laat de echte kapiteins – of ‘captains of industry’ – opstaan; laat de journalisten, die allang het spoor bijster zijn, en de verdwaasd ronddolende analisten stoppen met het op stang jagen van de bevolking. Even doorbijten en deze stelregel in steen beitelen: Geld is slechts een middel en geen doel op zich. Want waar de crisis begonnen is, weten we allemaal.






DE MACHTIGSTE MAN…

‘De machtigste man van de wereld’… Het is een bespottelijk cliché dat telkens weer door nieuwslezers en verslaggevers gebruikt wordt voor de president van de VS. Nu dus Obama. Hij zit inmiddels een jaar in het Witte Huis. Natuurlijk is de Amerikaanse president niet (!) de machtigste man op deze planeet. Ja, hij is opperbevelhebber van de ‘machtigste’ armee ter wereld; een leger dat heel sterk is, volgens de Amerikaanse propaganda op Discovery Channel en National Geographic. Een leger dat overigens een weinig roemrijk verleden heeft, dat ook het afgelopen decennium slecht presteerde, en dat als een loden last op de Amerikaanse begroting drukt. Obama is uiteraard alleen in naam opperbevelhebber: hij zal braaf luisteren naar de generaals die niet voor niets Westpoint hebben gedaan. Kan Obama een land de oorlog verklaren en zijn wanstaltig grote krijgsmacht op de vijand afsturen? Niet zonder toestemming van het congres. Wat mag hij dan wel?

De Amerikaanse president heeft betrekkelijk weinig macht in zijn eigen land, want de Verenigde Staten zijn een federatie, een bondsstaat. Californië bijvoorbeeld (het belangrijkste land), wordt ‘geregeerd’ door Schwarzenegger, niet door Obama. De federale overheid, met Obama aan het hoofd, is enkel verantwoordelijk voor aangelegenheden die meerdere deelstaten betreffen en in de grondwet geregeld zijn. Vandaar dat elke Amerikaanse president zich haast om voor de tv-camera’s te verschijnen zodra er iets spannends in het buitenland gebeurt. De buitenlandse politiek – met defensie – is immers wél zijn domein. Jazeker, als vertegenwoordiger van een van de grootste economieën (met een gigantische, niet te bevatten schuldenlast…) heeft Obama veel invloed; als baas van de mannen in het Pentagon boezemt hij beslist enig ontzag in. Maar machtig als persoon? De Chinezen hebben hem – en daarmee de hele VS – onlangs ondiplomatiek op zijn nummer gezet. ‘Geschoffeerd’ is het juiste woord.

Eigenlijk is Sarkozy machtiger dan Obama. De Franse president kan, zonder toestemming te vragen en zonder verantwoording af te leggen, het geduchte Franse Vreemdelingenlegioen inzetten. (De beste militaire eenheid ter wereld.) Daar kraait geen haan, ofwel geen kiesgerechtigde naar. De legionairs zijn in Frankrijk, Afrika en Zuid-Amerika gestationeerd. Sarkozy beheerst – anders dan Obama – zowel de buitenlandse als de binnenlandse politiek van zijn land. Hij zwaait de scepter. En vergeet niet: Frankrijk heeft – naast een eigen kernmacht – een permanente zetel (dus met vetorecht) in de Veiligheidsraad. Putin is veel machtiger dan Obama. Hetzelfde geldt voor de Chinese leider. Maar dat willen de Westerse democratieën niet weten; zij snakken naar een wereldleider die salonfähig is.



Enkel een man die in hoogst eigen persoon – in zijn eentje – beslist over leven en dood, over oorlog en vrede, over welvaart, welzijn en ondergang… Alleen hij heeft echte macht. Zo iemand is per definitie een soeverein of een dictator. Hitler en Stalin waren de machtigste mannen van hun eeuw. Zij lieten zich niet wegstemmen; zij grepen de macht en lieten hem niet meer los – tot aan hun laatste ademteug. Democratieën kennen wel zeer invloedrijke, maar geen werkelijk machtige mannen.
Obama is in wezen de baas van een zeer belangrijke multinationale onderneming. Net als eertijds de Heeren XVII van de VOC, kan hij de kanonnen laten bulderen, maar hij is niet meer dan een dienaar van de staat.

Obama bleek niet bij machte om het gevangenenkamp van Guantánamo Bay te sluiten (binnen een jaar); hij kon geen paal en perk stellen aan het bonussensysteem van de Amerikaanse banken; hij kan waarschijnlijk – net als Clinton – niet op tegen de invloedrijke Amerikaanse wapenlobby; hij kan niet opstaan tegen het militair-industrieel complex (een ‘entiteit’ waar Eisenhower al voor waarschuwde); hij kan slechts hopen dat zijn hervormingsplan met betrekking tot de gezondheidszorg door de volksvertegenwoordigers wordt aangenomen… En hij heeft niet kunnen voorkomen dat de Amerikaanse presidentsverkiezingen ook in de toekomst een zaak zullen zijn van het Grote Geld. Obama kan – volgens peilingen – nog maar rekenen op het vertrouwen van vijftig procent van de Amerikanen; zijn aanhang brokkelt af.

Hoe komt het toch dat wij in het Westen de Amerikaanse president ‘op de troon’ gezet hebben? Dat wij hem gekroond hebben tot ‘keizer van de aarde’ en hem aanbidden als leider van de Westerse wereld? Het antwoord is te vinden in een oeroude Europese (Germaanse) traditie: het geloof in het ‘heil van de koning’. Het welzijn van het volk is verbonden met de bloedlijn van het vorstenhuis. Droit divin en de dynastieke monarchie (‘de koning is dood, leve de koning’). Een overgrote meerderheid van de mensen heeft een schreeuwende behoefte aan iemand die voorbestemd is om de volksgemeenschap te leiden; een verlosser. De ‘vader des vaderlands’, ‘vadertje tsaar’, der Führer… Bij ontstentenis van een schone prins, zoekt men zijn heil (!) bij een charismatisch persoon die dankzij de media een bovenmenselijke gestalte heeft gekregen: een überleider.
Het is zinvol om twee feiten in gedachten te houden: blauw bloed bestaat niet, en zelfs een keizer van het Heilige Roomse/Duitse Rijk (962-1803) was slechts ‘primus inter pares’, de eerste onder zijn gelijken.

Is de USA nog een supermacht? Toen Groot-Brittannië, Frankrijk en Duitsland, geheel uitgeput na twee wereldoorlogen, zich 65 jaar geleden moesten neerleggen bij de suprematie van de VS en de Sovjetunie, was de keuze simpel: de wrede dictator Stalin (de overwinnaar van het Derde Rijk) of de met dollars strooiende Truman. Ten tijde van de Vietnam-oorlog was de dankbaarheid jegens ‘our great cousins’ nog te groot om ze ‘the cold shoulder’ te geven wegens hun oorlogsmisdaden. De Irak-oorlog werd door Nederland nog gedoogd (niet door Duitsland en Frankrijk), ook al was deze ‘preventieve oorlog’ begonnen op basis van provocatie, evidente leugens en misleiding, en verstootte hij tegen het internationale recht.

Afghanistan… Obama ziet geen andere uitweg dan het sturen van nog meer soldaten. Een zwaktebod? Wacht hem een ‘Tet-offensief’? Laat ons kabinet zich toch nog meesleuren in de zoveelste zinloze strijd van een grootmacht die zwalkt tussen ideologie en geostrategisch opportunisme? ‘Zij schiepen een woestijn en noemden het vrede,’ zei Tacitus. De Amerikanen zijn goed in het scheppen van woestijnen. Duitsland is de grootste exporteur ter wereld en een van de drie grootste economieën; Rusland is op de weg terug als supermacht; China is dé supermacht van de toekomst. Misschien moeten we wat meer naar het oosten kijken.






TIJD VOOR…

Grappig hoe pubers er telkens in slagen om volwassenen te bevestigen in hun ‘vooroordelen’ met betrekking tot… pubers. Neem nou die meid Laura Dekker; zij wilde solo de wereld rondzeilen en een deel van de Nederlandse bevolking achtte haar werkelijk bezonnen, verstandig, stabiel en weerbaar genoeg voor een odyssee. Laura’s vader stond klaar om haar los te laten op de zeven zeeën. Gelukkig besliste de rechter anders en werd het ‘ouderlijk gezag’ van haar papa in twijfel getrokken.

Een paar dagen geleden – nu ik dit schrijf – was zij plotseling met de noorderzon verdwenen en moest zij opgespoord worden door de politie. Weggelopen van huis dus. Oom agent vond haar terug op St.-Maarten. Een korte bestudering van Laura’s gezicht, tijdens de interviews die zij gegeven heeft, had zelfs de meest verstokte ex-hippie of ex-provo dit moeten leren: Laura is een verwend kind dat zichzelf op een bijna meelijwekkende wijze overschat. Zij behoort dan ook tot de alles-oké-generatie.

Veel te veel kinderen worden tegenwoordig niet meer gekneed, gevormd en ‘gebildet’; neen, zij worden in een rol gedwongen die zij nog lang niet aankunnen: de meebeslisser. Met kinderen wordt onderhandeld, en aangezien zij uiteraard nog niet de kennis, het inzicht en de wijsheid bezitten om de methode ‘these-antithese-synthese’ vruchtbaar te maken, komt vrijwel altijd een waterig, onbevredigend compromis bovendrijven. De opvoeding met plak en roede is, via de opvoeding met standjes en vooral beloningen, verworden tot een begeleiding waarin het respect voor de ouders ondergeschikt gemaakt is aan het respect dat kinderen zichzelf toekennen. Meebeslissen over de nieuwe auto, de vakantie, de onvermijdelijke strafmaatregelen…

Pubers krijgen vroegtijdig en onbeteugeld (!) de gelegenheid om zich te gedragen naar de aard van het beestje; zij kunnen onbelemmerd kiezen voor manipulatie, opportunisme en geweld. Aangemoedigd door de media die jongeren als een makkelijke, snel tevreden doelgroep beschouwen, en opgezweept door producenten die jongeren als een makkelijke prooi met een grenzeloze bestedingsdrang achtervolgen, voelen tieners en jonge twintigers zich de koning te rijk. King of the hill! Alles is oké! Mochten ervaren, wijze mensen vinden dat het anders moet, dan geef je die fossielen gewoon een dikke vinger! Het is immers alleen maar hun mening. Wat jij vindt is oké. Wat jij doet is oké. Gaat die bejaarde niet opzij? Wie is nou eigenlijk sterker? Pak haar tasje ook maar mee, want veel van die oudjes gebruiken nog papiergeld, en jongerenmode heeft nu eenmaal een prijs. Snel terug naar je eigen huisje in het ouderlijk huis, voor het onderhouden van de virtuele vriendenkring. Misschien weer eens tijd om te ontvrienden.

De oude Grieken wisten dat kinderen weliswaar geschapen worden door hun ouders, maar dat het daarmee niet gedaan is. Ouders doen een kind als organisme opgroeien (moedermelk, zeep, dokterbezoekjes…) en zij zorgen voor een raamwerk waarbinnen zoonlief of dochterlief in morele zin opgevoed wordt: regels in huis, de juiste vriendjes en hopelijk een goede school. De vriend ziet de geestelijke entiteit die ontstaan is; hij aanschouwt niet een afgeleide, een nakomeling of – in een mislukt geval – een kloon, maar een individu dat gestaald en gescherpt kan worden door zijn toedoen. IJzer scherpt ijzer.

De Grieken vonden het belangrijk dat zo’n vriend ouder en wijzer is. Fase 1: de ouders. Fase 2: de vriend. De mogelijkheden van ouders zijn beperkt: enerzijds doordat zij niet in staat zijn hun spruit objectief te beoordelen, anderzijds doordat jongens (meisjes waarschijnlijk ook) zich emotioneel losmaken van hun ouders. Dat ‘afstand nemen’ is een natuurlijke noodzakelijkheid. Vindt een jongeling geen nieuwe opvoeder op zijn weg, dan zal hij iemand met onontdekte en ongecultiveerde eigenschappen worden. Nu stuiten we op een probleem, want in de Westerse samenleving ‘mag’ een tiener pas na zijn schooldiploma een buitenstaander als opvoeder kiezen: de professor, de leraar op het conservatorium, de topsporttrainer, de meesterkok… (De film ‘Dead Poets Society’ getuigt van hoe het mis kan gaan.) Tot die tijd wordt een tiener afgeschermd door de omwalling van het jeugdcultuurtje (een kunstmatig fenomeen uit de 20e eeuw dat door handige reclamemakers verzonnen is) en door de muren van het ouderlijk huis (‘het gezin als hoeksteen van de samenleving’).

Een nóg groter probleem: gespeend van waardevolle rolmodellen, absorbeert de jeugd het schijnsel dat door allerlei bedenkelijke figuren uitgestraald wordt. Welke hedendaagse topvoetballers hebben sportiviteit en eer hoog in het vaandel staan? Smerige, bestiale overtredingen; onbeschoft gedrag; valse spelletjes en oneerlijke overwinningen… Toch worden deze ‘godenzonen’ door de media op een voetstuk gezet. Welke popsterren leiden een gezond en onbaatzuchtig leven? Kijk eens met een frisse blik naar de tv-persoonlijkheden van twijfelachtig allooi die al jaren de Nederlandse huiskamers en tienerslaapkamers binnendringen. Zijn Johan Derksen, Hugo Borst, Theo Maassen en Hans Teeuwen echt welkom?

Onbehouwen, platvloers, venijnig, pervers en ordinair; toch ‘beroemd’. De enige les die deze voorbeelden onze kinderen geven, is deze: Gedraag je als een botte proleet, hork of pummel; dan wordt ook jij een BN’er.

Iedereen beseft natuurlijk dat wij Nederlanders volgend jaar over een paar wereldsterren beschikken. ‘Popstars’ bedoel ik. Laten we wel zijn, de jury heeft het over ‘ongelooflijke talenten’ die ‘waanzinnig goed’ zijn. Als eenvoudige sterveling laat ik mij uiteraard meedrijven op de stroom van superlatieven die uit de monden van de vakbekwame juryleden komt. Not!

In ernst: het middelmatige wordt tegenwoordig verheven tot iets dat geprezen en gelauwerd moet worden. Jongens en meiden die gezegend zijn met enig talent (lang niet altijd noemenswaardig) worden – door louter woorden – opgestuwd tot hoogten waarop zij naar adem happend als een kaarsvlam doven. Het woord hype is eigenlijk al gedateerd: het doet geen recht aan de absurde klatergoudomkleding van de ‘wannabe’ in medialand. En onze tieners? Zij dromen van een toekomst waarin hun adagium – al iets te adagio – bewaarheid wordt: I want it all and I want it now! En liefst zonder ervoor te moeten werken.










Juni 2009 | DE LINKSE KERK

Wie herinnert zich dat bespottelijke Postbank/ING-spotje nog? Ene Anouk – wie dat ook moge zijn – had deze tekst: ‘Oké, nice. Mag ik er even langs? Thanks.’ Gelukkig is ING praktisch genationaliseerd. Misschien leren ze nu hun moerstaal. Onze nationale luchthaven (sorry, airport) Schiphol doet het niet veel beter: ‘Where else?’ roepen ze ons toe. Nou, het liefst ergens in Nederland… Philips: ‘Sense and Simplicity’ – stelletje ‘simpletons’/simplisten!
Even afgezien van de ergernis; het gebruik van Engelse termen of uitdrukkingen door Nederlanders kan tot lachwekkende verbasteringen leiden. ‘Hij stikt in zijn principes,’ hoorde ik iemand zeggen. Dat is metaforisch wel mogelijk, maar van zulke ademnood was echt geen sprake. Bedoeld werd: Hij ‘sticks to’ zijn principes. (Hij houdt vast aan.) Ach ja, wie zijn afkomst verloochent, boet in aan geloofwaardigheid én verstaanbaarheid.
Het deerniswekkende van al dat geneuzel in het Engels is, dat de ontaarde reclamemakers en ‘zwelbasten’ meestal een Nederlandse doelgroep voor ogen hebben, dus vanwaar die uitverkoop (sorry, sales) van de Nederlandse cultuur?

Het moge duidelijk zijn; zelf probeer ik Engelse woorden te vermijden, maar om deze twee kan ik niet heen: ‘timing’ en ‘selfrighteous’. Ik heb tevergeefs gezocht naar hun Dietse evenknieën. Voor selfrighteous kan ik soms ‘eigendunkelijk’ gebruiken, soms ‘eigengerechtig’; die woorden hebben echter een iets andere gevoelswaarde. Een selfrighteous iemand acht zich namelijk in moreel opzicht verheven boven anderen; hij heeft zichzelf alvast toegelaten tot de hemel, en hij heeft zichzelf het recht (!) gegeven om anderen te kapittelen. Denk maar aan een zelfbenoemde dominee en een zelfbenoemde rechter in één persoon. Het recht (of ‘het rechte pad’) is, volgens hem, geen regulerend wijsgerig begrip dat aan tijd en plaats gebonden is, maar een remedie tegen de kwalen van onze samenleving.
Laten we het woord ‘timing’ even vergeten. Waarom vormt ‘selfrighteous’ een probleem? Omdat ik het nodig heb voor het beschrijven van de Linkse Kerk. Ik zal gelijk uitleggen waarom de leden van die groepering mij ‘hoog zitten’. Kijk, de televisie wordt in Nederland beheersd door mensen met een onwrikbare, eenzijdige visie op de mens en de menselijke samenleving. Hun inzicht is verankerd in een links idealisme dat voor hen even heilig is als eertijds de synoptische evangeliën voor een strijdlustige kruisvaarder. Zij bezien de mensheid met een zeekijker (zo’n monoculaire, inschuifbare verrekijker); het rechteroog dichtgeknepen.
De leden van de Linkse Kerk zijn op tv alom tegenwoordig en bijna almachtig. Verreweg de meeste tv-journalisten en presentatoren van praatprogramma’s (‘talkshows’) zijn links; dat weet inmiddels iedereen wel. Vroeger hadden we voornamelijk te kampen met Sonja Barend; daarna met Barend & Van Dorp (bijgestaan door de immer emotionele Jan Mulder); tegenwoordig worden we blootgesteld aan het linkse gedachtegoed van Pauw & Witteman en Matthijs van Nieuwkerk. Bovendien behoren vrijwel alle cabaretiers en komedianten die wij op tv voorgeschoteld krijgen, tot de Linkse Kerk. Van Freek de Jonge (zoon van een predikant; bekend geworden door – o, ironie! – Neerlands Hoop) tot Koefnoens Owen Schumacher (ooit begonnen in De Rode Raaf). De Linkse Kerk, die als een soort sekte zieltjes wint in de schemerzone (rode dageraad) tussen verlichting en humanisme, heeft dus een sinistere greep op het belangrijkste propagandamiddel van onze tijd. De ‘genese’ van deze bedenkelijke toestand zal ik later proberen te verklaren.

Eerst dit: niet lang geleden heeft Van Nieuwkerk krachtig ontkend dat in zijn ‘De wereld draait door’ rechtse politici beduidend minder vaak uitgenodigd worden dan linkse. Tja, hoe dom kun je zijn? Het gaat niet om het aantal. Stel dat iemand van de PVV of de rechtervleugel van de VVD bij Van Nieuwkerk mag aanschuiven, dan kan hij maar beter voorbereid zijn op lastige, ‘pittige’, zo niet onaangename woordenwisselingen. Minstens één andere gast zal hem immers fel en ongenuanceerd gaan aanvallen, daarin niet gehinderd door de minzaam toekijkende gastheer. Goedgebekte medestanders zal de rechtse politicus die avond niet aantreffen. Het getalsmatige overwicht van links zal onbeschaamd worden uitgebuit. (Hetzelfde geldt voor ‘Pauw & Witteman’.)
Reken erop dat de volgende dag in hetzelfde praatprogramma een linkse politicus de tafel als speelveld of podium krijgt aangeboden, geflankeerd door sympathisanten, met tegenover zich… in ieder geval geen tegenstanders. Een van de gespreksthema’s betreft dan uiteraard die rechtse politicus van gisteren; diens denkbeelden mogen nog even lekker door het slijk gehaald worden, het liefst door linkse BN’ers die zichzelf het imago van intellectueel toegekend hebben en die – meestal volkomen onterecht – de sympathie en het vertrouwen van het klootjesvolk genieten. Mocht zo’n pseudo-intellectueel niet te vinden zijn, dan krijgt een benepen cabaretier of een van de vele tv-clowns volop de gelegenheid om met de clichématige losse flodders van links te schieten. Betrekkelijk ongevaarlijk gepalaver misschien, van onnozelaars die tot de soort selfrighteous behoren, maar wel irritant. Kortom, het gewone volk wordt stelselmatig belerend toegesproken vanaf de kansel van de Linkse Kerk. Dat de waarheid nooit aan het einde van een tunnel ligt, is nog niet doorgedrongen bij de ‘progressievelingen’ die hun politieke overtuiging als een crucifix voor zich uit houden.
Hoe heeft het zover kunnen komen? Dat de burelen en studio’s van de media bevolkt worden door mensen met een socialistische inslag, is niet verwonderlijk. Een liberaal gaat immers gewoon ondernemen en bouwen. Onzijdige intellectuelen zoeken hun welstand en geestelijk heil binnen de wetenschap. Dan houden we de progressieven over, want Nederland telt weinig echte conservatieven.

Zij, die linkse mensen, hebben een boodschap… Iemand met een sterk ontwikkeld sociaal gevoel gaat het onderwijs in, of de zorg, of de media. In het tv-wereldje begint de roodgelakte schoen echter te wringen: een aantal presentatoren en komedianten kan het zich veroorloven op grote voet te leven. Hoe kun je een echte socialist zijn als je de absurde situatie accepteert dat een ‘entertainer’ (ook niet te vertalen) aanzienlijk meer geld opstrijkt dan een minister? Wie is nu eigenlijk echt belangrijk; de ingenieur die met weergaloos vernuft bruggen en tunnels ontwerpt, of Paul de Leeuw? De biochemicus die een geneesmiddel vindt, de natuurkundige die een satelliet in een baan om de aarde weet te krijgen, of… Christiano Ronaldo?

Zorgwekkende kenmerken van onze samenleving zijn: een ziekelijke staat van opwinding zodra we gemeenschappelijk – als kudde – iets kunnen beleven of belijden, eigendunk die uit het niets ontsproten is, en vluchtgedrag (ontsnappen aan de werkelijkheid). Het eerste is voer voor psychologen en wellicht theologen; tegen het tweede helpt zelfs de meest bitse jury onder leiding van Henkjan Smits niet; het derde zorgt voor de waanzinnige beloningen die mensen in de entertainmentindustrie ontvangen. Die eigenwaan trouwens ook, want velen maken zichzelf wijs dat zij – op basis van buitengewone, zo niet unieke, helaas door het publiek nog niet ontdekte talenten – voorbestemd zijn om te delen in die roem en rijkdom; zij misgunnen hun voorbeelden en rolmodellen (die ‘godenzonen’) de weelde niet.

Terug naar het wereldje van de tv. Het socialisme is uitgevonden om de zwakkeren in de samenleving te beschermen. Het is, net als het feminisme, een emancipatiebeweging, en aan mensen die snakken naar gelijkberechtiging is tegenwoordig geen gebrek. Aangezien de arbeider inmiddels zijn schaapjes op het droge heeft, en een echte Hollandse vrouw haar mannetje slaat – pardon, staat – zijn de ogen van de ware socialist gericht op de minderheden in onze multiculturele samenleving. Dat is nog even wennen, want het ‘multiculti’ bestaat pas sinds de zestiger jaren. Eerst stroomden de gastarbeiders binnen, later de gelukzoekers en de ‘verworpenen der aarde’.
Nu moeten we even stilstaan bij het profiel van de doorsnee linkse tv-persoonlijkheid. Was hij op school een van de informele leiders? Zeker niet. Was hij een sporter? Waarschijnlijk niet (afgezien van enkele sportverslaggevers). Behoorde hij tot een stoer groepje? Die kans is zeer klein. Het zit er dik in dat onze hedendaagse tv-presentator ofwel tot de clowns behoorde – en wij herinneren ons dat buitenbeentjes middels clownesk gedrag in de klas een gooi deden naar de aandacht die anderen dankzij uiterlijk, uitstraling of persoonlijkheid kregen -, ofwel tot de boekenwormen. Misschien hield hij zich bezig met de schoolkrant of met fotografie. Is het uitgesteld compensatiegedrag? Iemand die zelf in de verdrukking heeft gezeten, of buitengesloten werd, heeft waarschijnlijk een schreeuwende behoefte om zichzelf te bewijzen, het liefst als voorvechter van andere ‘misdeelden’. Op zich is daar niets mis mee, maar doordat menig ‘voorvechter’ zelf hunkert naar respect, en zwelgt in de aandacht die hij als zelfbenoemde paladijn van multicultipaupers krijgt, knuffelt hij blindelings schattige konijntjes, minder schattige wolven en helemaal niet schattige tijgers. Sterker nog, hij zet alle hekken open, zodat wij allemaal mogen meegenieten van de bewegingsvrijheid die de arme tijgers gekregen hebben. Dat is iets voor een ander verhaal… Laten we in ieder geval, als we weer naar onze tv-persoonlijkheden kijken, deze woorden van Sherlock Holmes in het achterhoofd houden: ‘Celebrity is the last refuge of the idiot.’ Dat hoef ik toch niet te vertalen?








Juli 2009 | MULTICULTI

Een van mijn voormalige leerlingen, Avalon Weyzig, is nu Miss Nederland. In mijn herinnering zie ik haar nog steeds onwillig en onhandig door de modder van de Ardennen ploeteren, op volstrekt ongeschikte design-sportschoentjes; gekleed in een modieus wit trainingspak. Een mooie meid, dat wel. In de loop van het jaar bleek zij bovendien best aardig te zijn. Haar broer – een jongen die ook in de categorie opvallend mooi viel – was een beetje rebels, maar gewoon sympathiek; zonder gebruiksaanwijzing. Bruce Weyzig was een van mijn favoriete leerlingen en aanvoerder van het door mij gecoachte voetbalteam. Hij moest het van zijn sierlijke techniek hebben.
Bruce en Avalon zijn, net als mijn peetzoons, van gemengd bloed. Het zonnige kleurtje en andere phenotypische (genetische) ‘verklikkertjes’ staan hen goed. De mengeling van Germaans en Indo-Arisch of Maleis levert vaak mooie kinderen op; dat is bekend. Ik hoor nu de voorstanders van multiculti al juichen. ‘Zie je wel!’ roepen ze, vooruitlopend op hun morele gelijk.
Maar zo is het natuurlijk niet, want Avalon, Bruce, Michiel en Sietse zijn op en top Nederlandse jongelingen; zij zouden zich in een andere cultuur net zo ontheemd voelen als Avalon tijdens de gememoreerde ‘outdoor-dagen’ in de Ardennen. Multiculti? Welnee. Mijn peetzoons krijgen in hun ouderlijk huis lekkerder nasi dan bij mij, maar daar houdt het mee op. De Indische gemeenschap in ons land is immers volledig geïntegreerd en geassimileerd. Zeg nu niet dat onze Turkse en Afrikaanse medelanders – op termijn – net zulke gewaardeerde, echte Nederlanders zullen worden; dat zij weliswaar nog aan het klauteren, glijden en ploeteren zijn, maar dat zij slechts een helpende hand nodig hebben om hun plekje te vinden. Ik betwijfel dat sterk, want de achtergronden en beweegredenen van de meeste allochtonen (waartoe dus niet de mensen uit voormalig Nederlands-Indië behoren) bieden weinig hoop. Het probleem is, dat zij al een eigen (!) plek in ons land gevonden hebben, en die plek richten zij on-Nederlands in.

Even terug naar de schoolklas… Een goede docent zorgt voor een volstrekt duidelijke Leitkultur in zijn (!) lokaal; hij zorgt ervoor dat iedere leerling – ongeacht diens sociale, culturele of etnische achtergrond – uitermate goed beseft wat wel en wat niet door de beugel kan. De leraar straalt als formele én informele leider onmiskenbaar uit wat hij wel en niet met de mantel der liefde zal bedekken. Hij bepaalt! Zo werkt dat met tieners: zij zullen telkens de grenzen van het toelaatbare opzoeken zolang het ‘tot daar en niet verder’ vaag blijft. Zij zullen, in hun pogingen om slecht aangegeven grenzen te verleggen, een zwakke docent blijven uitdagen. Nadat deze tieners tegen de onvermijdelijke strafmaatregelen zijn opgelopen, zullen zij zich mokkend terugtrekken, om zich verongelijkt op te stellen, klaar voor een nieuwe aanval. Zijn de grenzen van het fatsoen echter duidelijk getrokken, dan kan een ontspannen, vriendelijke sfeer ontstaan; dan worden de stellingen verlaten. Als de speelruimte, ofwel het speelveld, goed afgebakend is, komen de sierlijke aanvallers, zoals Bruce, de stevige verdedigers, de ‘waterdragers’ én de coach tot hun recht.
Zonder beledigend te willen zijn; laag geschoolde Nederlanders, waaronder het overgrote merendeel van de allochtonen, zijn net tieners. Zij moeten immers nog opgevoed worden in de Nederlandse normen en waarden. Hoe dient de maatschappelijke elite deze mensen te bejegenen? De scheurkalender van Fokke en Sukke toont op 27 juni onze twee vrienden ‘getooid’ met sandalen, geitenwollen sokken, baarden en pijpen. ‘Samenscholing is ook een vorm van scholing,’ zeggen zij. Tja, opvoeding…

Onze jeugd – en dan vooral het uitheemse deel – wordt door ‘moderne opvoeders’ bij voorbaat tegemoet getreden met respect en een overdosis aan begrip. Daarbij wordt iets wezenlijks vergeten: respect moet je verdienen. ‘Toon respect, wees verdraagzaam en heb geduld,’ roepen de pseudo-intellectuele voorstanders van multiculti. ‘Dan komt alles goed.’ Maar het recht op respect is niet vanzelfsprekend! En verdraagzaamheid tegenover wat? Daar ligt het probleem: de xenofiele voorstanders van een multiculturele samenleving zijn doorgaans niet bij machte – wat betreft persoonlijkheid en leiderschap – om grenzen te trekken.

In grenzeloze naïviteit gaan lieden van de Linkse Kerk uit van het goede in de mens, ongeacht de slachtpartijen en etnische zuiveringen waar de geschiedenis bol van staat. Jawel, in de Nederlanden hebben we het de afgelopen eeuwen betrekkelijk rustig en veilig weten te houden – zelfs de Heksenwaag van Oudewater gaf een evenwichtig oordeel -, maar allochtonen komen nu eenmaal niet uit Nederland, dus wij mogen van hen niet dezelfde ingebakken moraal verwachten als van… Ho! Wacht even, dat mogen we dus wél. Althans, wij mogen verwachten dat zij zich – als goede gasten – zo snel mogelijk proberen aan te passen. Zij hoeven, wat mij betreft, niet hun culturele gebruiken te laten varen – mits deze niet te veel overlast geven -, maar dienen zich wel te voegen naar de Nederlandse waarden, normen, spelregels en wetgeving. Bovenal moeten (!) zij de scheiding tussen kerk en staat ondubbelzinnig aanvaarden. De vooruitgang die wij in Europa geboekt hebben, gelouterd door wrede godsdienstoorlogen en vernietigende nationale oorlogen, gelauwerd door Renaissance, Rationalisme en Humanisme, geworteld in Hellas en Rome, mogen we niet uit handen geven.

De wens is de vader van de gedachte; dat merken we telkens weer bij de politici die tot het kamp ‘Pappen en Nathouden’ behoren. In toenemende mate gefrustreerd, probeerden zij onlangs de enorme winst van de PVV tijdens de verkiezingen voor het Europees Parlement te verklaren door te wijzen op de ‘anti-Europese’ stellingname van die partij. Ook volgens veel ‘politiek analisten’ gaven de Nederlanders die de gang naar de stembus gemaakt hadden, blijk van een ‘Eurosceptische’ of zelfs ‘anti-Europese’ houding. Bewuste misleiding, of konden zij zich werkelijk niet indenken dat veel pro-Europeanen, fervente voorstanders van de EU, op de partij van Wilders gestemd hadden? Toch is het zo eenvoudig: alleen de PVV had klink en klaar uitgesproken dat Turkije nimmer (!) lid van de EU mag worden. De uitbreiding van de EU naar het oosten toe is volgens de meeste westerse Europeanen al te ver voortgeschreden; de opname van een niet-Europees land is voor hen onbespreekbaar. 1. Turkije is een niet-Europees land. 2. Op basis van het inwonertal zou Turkije veel te veel zetels, dus invloed toebedeeld krijgen. (In de besluitvorming binnen het Europees Parlement ook nog eens gesteund door de massa’s Turkse immigranten binnen de West-Europese democratieën.) De ware Europeaan vindt dat de macht binnen de EU in handen moet blijven van Duitsland, Frankrijk en Engeland; niet van landen als Polen en Turkije. Natuurlijk, veel Nederlanders stemden in een Europese context op de PVV uit onvrede met het beleid van het Nederlandse kabinet, maar de kwestie Turkije kan niet weggedacht worden.

Vreemd genoeg gaat de redenering van veel multiculti’s uit van de eigen superioriteit. Immers: wij zijn de bovenliggende, sterkere partij; als wij (!) de anderen niet discrimineren, knechten of verdrijven – of proberen te ‘bekeren’ – is er niets aan het handje, want ons lichtend voorbeeld verdient en krijgt dus navolging; dat begrijpt een kind. De verlichting volgt vanzelf, want welk zinnig mens bijt in een uitgestoken hand? Een mooie gedachte. Als wij de tijger vriendelijk toespreken, en aaien, trekt hij vanzelf de klauwen in. Maar helaas hebben bepaalde uitheemse groepen al lang door dat de uitgestoken Nederlandse hand een slap handje is. In veel culturen betekent een weke handdruk slechts één ding: het weggeven van de ‘upper hand’. Als aan de Nederlandse hand geen sterke arm zit, voelt menig allochtoon zich uitgenodigd om kerken te vervangen door moskeeën; de grondwet door de sharia; de coupe soleil door het hoofddoekje; het carnaval door de ramadan, Michiel de Ruyter door Fatih Sultan Mehmed, wetenschap door insha’Allah, het vrije woord door de geestelijke dwingelandij van de imams, de ‘liefde-van-je-leven’ door een importbruidje, de bruine kroegen door theehuizen… Het is een vrijbrief voor intolerantie en zelfs geweld tegenover andersdenkenden, van kafirs tot homoseksuelen.
Nationalisme, liberalisme, socialisme en feminisme hebben niet zonder slag of stoot het pleit gewonnen, maar als je het islamisme de vrije teugel geeft, eindig je met een bit in de mond.

Stel dat een multiculti een gast in zijn huis opneemt; verwacht hij dan dat die gast zich aan de huisregels houdt? Vast wel. De multiculti ervaart dus kennelijk het land van zijn voorouders niet als een thuis. Voelt hij zich niet verbonden met zijn volk, of minstens zijn eigen stam? Heeft zijn stamboom voor hem maar één takje – het zijne? Stuit het weggeven of verkwanselen van cultureel erfgoed bij hem niet op weerstand? Beschouwt hij zijn vaderland en de vaderlandse cultuur niet als erfenis? Als een ‘heemstede’ enkel een stad is, als een taal alleen maar een zielloos communicatiemiddel is; dan is alles inruilbaar. Het is makkelijk om iets cadeau te doen dat gevoelsmatig niet jouw eigendom is.

Onze voorouders hebben huis en haard – en dus hun land – te vuur en te zwaard moeten verdedigen, maar waarschijnlijk denkt de multiculti dat strijd niet past in een moderne samenleving, dat zijn directe omgeving gevrijwaard zal blijven van onverdraagzaamheid en geweld, dat zijn dochter niet in handen zal vallen van een ‘loverboy’; dat zijn zoon niet omsingeld en in elkaar geslagen zal worden – of doodgestoken – door een tiental laffe straatschooiers in zwarte leren jasjes die nooit geleerd hebben dat tien tegen één eerloos en on-Nederlands is. Ach, konden we alles maar wegdenken.
Multiculti’s benadrukken tot vervelens toe dat Nederland altijd multicultureel is geweest, maar dat is baarlijke nonsens. Nederland is altijd een Europees land geweest (nationalisme is ontstaan in de 19e eeuw); de Duitsers (broers) en Fransen (neven) hebben voor veel ‘presentjes’ gezorgd, en deze geschenken voldeden altijd aan de smaak van hun Nederlandse familieleden. (Even afgezien van een bezetting.) Nu echter, krijgen we een cd met Marokkaanse muziek. De immigranten die zich in vroeger eeuwen in de Nederlanden gevestigd hebben, hadden natuurlijk hun culturele ‘eigenaardigheden’, maar zij verschilden niet wezenlijk van de Nederlanders; niet meer dan het ene gezinslid van het andere. Ook zij waren Europese kinderen van de Graeco-Romeinse beschaving, de Reformatie en de Verlichting. Deze mede-Europeanen hebben – als immigranten – geen pogingen ondernomen om iets in de Nederlandse, ofwel Germaanse cultuur te veranderen. Getalsmatig – anders dan nu – waren immigranten daar ook nooit toe in staat. Goed, voor nu is het genoeg.






Oktober 2009 | OPKALEFATEREN, OPZOUTEN

Stel je staat in een dierenwinkel. Je koopt – ofwel redt – een lief ratje dat anders aan een valk of arend in een ‘zoo’ (dierentuin dus) gegeven zou zijn. Een ander ratje wordt voor de grijpvogel geworpen. Zijn dood is jouw schuld. Stel je redt een hert of ever van een jager. Een ander dier zal diens prooi worden. De jacht verbieden? Dan zullen de gezonde en sterke dieren te lijden hebben onder honger en ziekten – de gevolgen van overbevolking – bij gebrek aan roofdieren. Stel je biedt de helpende hand aan hongerende Afrikanen in een tentenkamp… De natuur selecteert, en natuurlijk zou de mens – wanneer hij ingrijpt – selectief moeten zijn. De zwakken erbovenop helpen, door middel van voedselhulp of anderszins, begraaft de sterkeren onder een verstikkende laag van armlastigen en kansarmen. Geconfronteerd met uitzichtloosheid in een kunstmatig op de been gehouden samenleving, zullen veel ‘doeners’ hun heil zoeken in asociale, onethische of zelfs criminele activiteiten. Zie de Somalische piraten.

Dat moge allemaal zo zijn, maar zelfs in het Darwin-jaar, nu wij meevaren in het kielzog van HMS Beagle en opnieuw doordrongen worden van ‘the struggle for live’ en ‘the survival of the fittest’, is praten over selectie binnen de soort een taboe. De gedachte alleen al… Het sociaal-darwinisme van bijna een eeuw geleden heeft immers diepe wonden geslagen; de littekens op de menselijke ziel zijn nog niet vervaagd. De strijd en de selectie vonden destijds in het ‘verborgene’ plaats (slagvelden en kampen ver weg, afgeschermd door propaganda en censuur), maar eenmaal aan het licht gekomen, was het besef van ‘nabijheid’ schier onverdraagbaar: de eigen politici en ambtenaren als daders; medeburgers als slachtoffers… Niet te verdragen, want de mens is – net als de rat – een sociaal dier. ‘Ben, you’re always running here and there…’ Dat zong Michael Jackson. toen hij nog zwart was, over zijn ratje. En: ‘Ben, most people would turn you away [...] I’m sure they’d think again if they had a friend like Ben.’

De wereld is een dorp geworden; we hebben overal vrienden. De zalige onwetendheid heeft schipbreuk geleden, dankzij de moderne media. Wie naar Gerard Joling wil kijken, krijgt ongevraagd een tsunami-tussendoortje; wie zich verheugt op Gooische Vrouwen, moet ook een aardbeving of epidemie wegslikken. Wie wil weten of Balkenende president van Europa gaat worden, moet uitgemergelde Afrikaantjes, terrorisme en uitstervende diersoorten voor lief nemen. Hoewel de mens een verbazend vermogen heeft om de werkelijkheid buiten te sluiten en ‘dingen’ niet te willen zien of te weten, kan hij niet langer de ogen sluiten voor de ellende en de ‘verelendung’ van talloze medemensen; hoe vreemd zij ook zijn. Trouwens ‘talloos’? Ze hebben wel degelijk een getal gekregen: een miljard mensen schijnt honger te lijden; 27 miljoen van de soort homo sapiens (volgens andere criteria 200 miljoen) leven als slaaf. Er worden ook getallen losgelaten op de niet aflatende stroom kansarme en kansloze illegale immigranten die de grenzen van Europa en de VS weten te overschrijden, daarmee niet alleen de overheden, maar ook de inheemse burgers voor het blok zettend: wij moeten laveren tussen mededogen en rede.

Over laveren en Somalische piraten gesproken… Heeft dat trutje nu wel of niet toestemming gekregen om de wereld rond te zeilen? Gisteren deed de rechter uitspraak, maar ik heb die dag – bij wijze van hoge uitzondering – geen Journaal of Nieuws gezien, noch naar de radio geluisterd. Laura Dekker heet zij. Waarom deze meid zoveel publiciteit heeft gekregen? Dat heeft weinig te maken met een eventuele prestatie, te weten het vestigen van een record: het gaat hier om de verantwoordelijkheid van de ouders én van de maatschappij. Eerst even haar toekomstige avontuur in het juiste licht zetten: de jongste persoon die solo rond de wereld zeilde, heet Mike Perham. Geboren op 16 maart 1992, stak hij eind 2006 solo met zijn ‘Cheeky Monkey’ (een toepasselijke naam voor dat schip) de Atlantische Oceaan over. Aankomst 03/01/07. De jongen was dus 14. In november 2008 vertrok hij opnieuw. Op 27 augustus 2009 kwam hij terug in zijn vaderland, 17 jaar oud, na een solozeiltocht rond de wereld. Vóór hem had een Amerikaanse knaap (ook 17, maar net iets ouder) hetzelfde gepresteerd, maar het record stond op naam van de Britse boy sailor Seb Clover (die was 15).

En toen kwamen de meiden… De Australische Jessica Watson (16) navigeerde haar jacht, begin september 2009, echter binnen 24 uur tegen de onverzettelijke stalen wand van een vrachtschip uit Hong Kong. Het was een proefvaart, dus wellicht vertrekt zij alsnog voor de beoogde wereldreis. En nu dus de Nederlandse Laura Dekker… Het blijft na-aperij. En ten koste van wat? Daarover moest de rechter een uitspraak doen. Daarbij wil ik direct aantekenen dat de pappie van Mike de hele reis in de onmiddellijke nabijheid is gebleven op een ander schip. Men vergeet te vaak dat tienerhersenen nog niet volgroeid zijn, en dat de prefrontale cortex nog in ontwikkeling is. Juist dat deel van de hersenen hebben we nodig om te kunnen plannen (dus gevolgen van ons handelen te kunnen overzien), impulsieve neigingen als zodanig te herkennen en gedrag te beheersen. Dat een meisje buiten de relatief zeer veilige Nederlandse samenleving bloot staat aan allerlei gevaren (een jonge jongen trouwens ook), staat buiten kijf. Na Superman kwam Superwoman; na Batman (en Robin) kwam Batgirl… Enzovoort. Laura is geen Lara Croft (Tomb Raider) en het zou goed zijn als ‘girls everywhere’ beseffen dat verkrachters, rovers, piraten en ander boeventuig niet terugdeinzen voor een hooghartige blik van een übermeid, en zich ook niet – anders dan op tv – in hun kruis laten trappen.

Zeilen, de zeven zeeën… Ik heb net een verbijsterende docu gezien over onze planeet. Een groot deel van het plastic afval dat ‘wij’ produceren komt in de oceanen terecht. Waar de zeestromen samenkomen, heeft zich – onder water – een eiland van kunststof gevormd dat zo groot is als Frankrijk en Spanje samen. Het plastic verbrokkelt en erodeert tot kleine deeltjes en fragmenten. Volgens de documakers heeft (vrijwel) iedere vis en (vrijwel) elke vogel plastic in de maag. (En geen klein beetje!) Nóg zorgwekkender: al dat plastic in de oceanen geeft chemische stoffen af die ongezond zijn voor dier en mens. Een van die stoffen is anti-androgeen, dat wil zeggen: testosteronverlagend. Aangezien het masculineren in de baarmoeder plaatsvindt onder invloed van testosteron, baren zwangere vrouwen die blootgesteld zijn aan die anti-androgene chemische stof, androgyne (deels vrouwelijke) jongetjes. Die stof zit ook in het materiaal van PET-flessen, en het schijnt zo te zijn dat de inhoud van een PET-fles niet veilig is. Onderzoekers beweren dat jongetjes die uit een ‘PET-baarmoeder’ komen, later niet tevreden zullen zijn over het formaat van hun piemel. Plastic helpt mee aan de feminisering van onze maatschappij, zullen we maar zeggen. Eindelijk antwoord op de vraag waardoor het aantal echte jongens en echte mannen zo schrikbarend is afgenomen in de rijke Westerse landen. Nederlandse mannen… Dat de kwaliteit van hun zaad de afgelopen decennia sterk is verminderd, wisten we al. Dat er een oorzakelijk verband was met milieufactoren, lag voor de hand. We mogen plastic bijschrijven op het lijstje. Chemicaliën lekkende flessen; de jongen als onbedoelde labrat…

Dat we ratjes in de politiek hebben, zal voor niemand een verrassing zijn. Ongelooflijk wat we in ethische zin accepteren van onze bewindslieden en volksvertegenwoordigers. Paul Tang heet hij. Dit PvdA-kamerlid lekte de inhoud van de Miljoenennota naar Frits Wester en daarmee naar alle media. Was dat nou zo erg? Ja!! Balkenende had hem en de anderen namelijk nadrukkelijk en herhaaldelijk gevraagd om ditmaal eindelijk eens de kaken stijf op elkaar te houden. Wees dan een vent en zeg: ‘Jammer, Jan-Peter, maar ik wil niet aan dat verzoek voldoen, dus geef mij de stukken niet ter inzage.’ Neen, Paulus de politieke kabouter ging stiekem een wit voetje halen bij een parlementair journalist. Kortom: hij is het vertrouwen van kabinetsleden niet waard. Iemand die klaarblijkelijk gespeend is van eergevoel en ethisch besef, is vooral het vertrouwen van het volk niet waard. Als fractievoorzitter van de PvdA had ik hem onmiddellijk een trap onder zijn kont gegeven. De laan uitgestuurd dus.
Gelijk maar even naar een andere PvdA’er. Ik ga het hier (nu) niet hebben over DSB, maar aan één uitspraak van Wouter Bos kan ik niet in alle gemoedsrust voorbij gaan. Hij reageerde op een bewering van Dirk Scheringa; deze verzekerde ons dat zijn bank kapot gemaakt was, en gered had moeten worden door Bos en de zijnen. Bos: ‘Als iemand verdrinkt, verdrinkt hij niet doordat hij niet gered wordt, maar doordat hij niet kan zwemmen.’ Ja, hoor eens, zo weet ik er nog een paar. Ik zal nu even niet vallen over het ‘dattie’ van Wouter, in plaats van ‘dat hij’, want zijn hele uitspraak – in de zin van stelling – is onzinnig. Als iemand vermoord wordt, sterft hij niet doordat hij niet gered wordt, maar doordat hij niet… kan vechten? Als Afghaanse vrouwen nog steeds onderdrukt worden, komt dat niet doordat ‘onze jongens’ in NAVO-verband falen, maar doordat die vrouwen hun mannen geen knietje geven. Als Afrikaantjes verhongeren, creperen zij niet doordat zij niet gered worden, maar doordat… En zo zijn we weer bij het begin van dit stukje. De cirkel is rond.





Oude berichten »