Gedichten van Christoph Chin-Sue
BLAUW
Ik heb vannacht in de derde persoon gedanst
en een hoer met haar handen ver van haar lichaam verwijderd
enkele abstracte intimiteiten laten volbrengen.
Maar er is meer voor nodig om mijn wreed hongerig vuur te blussen.
Van dat dansen kwam ik ongemerkt bij het wandelen terecht.
Het werd koud, de donder boog zich over mij heen
en een baard van regen groeide langs de ramen.
Een bliksemflits werd geluidloos tegen de hemel gedrukt,
plots verloor ik de smaak in mijn mond
en met een slaapkleurige zalm in mijn hand,
thuis af te leveren om de druk op beide oren te verminderen,
verdwaalde ik in eigen straat.
Teruggekeerd van een tot vinden onmachtige zoektocht,
mijn eenzaam brandend vuur
achtergelaten om uit te doven.
EVOLUTIE 
(of waarom de lente niet wil komen)
Een alles overwoekerende schaamte
houdt de lente in bedwang
en keert iedere bloemknop
tegen zichzelf.
De natuur,
eindelijk menselijk geworden.
Het morgenrood,
onwelkome gast
voor hen
die in het duister
naar schatten zoeken.
Want als een schat in het donker ligt besloten,
verdwijnt deze dan niet
wanneer een licht wordt ontstoken?
OPDRACHT
Voor mij
Van mijn moeder
Op de 27ste juni
In het jaar 1980
Geschonken door de tweede
En aangenomen door de eerste
Om te belijden
En te verblijden
Tot de tijd ons berooft
Van al wat wij hebben
En zijn.
DOLEN
Wie loopt traag sloffend
over het koeienpad,
wie ziet de nachtvlinders,
gulle bloesem in de maneschijn,
richt de blik opwaarts
om in de blauwe klaarheid
zijn eigen geest
weerspiegeld te zien?
Zij die geboren worden
in het volle daglicht
en met grote voeten
het open veld betreden.
FRANEKER EN TERUG 
(met Gerard Reve)
Toen ik nog in Franeker woonde, was het leven mooi;
de stad begon met een F, het land was plat.
Wat wil een mens nog meer?
Nu is alles anders; de stad begint met een A en het leven,
ach, het went. Maar de buurt is wel oké.
Ik snap dat niet, dat je van A naar F kunt gaan, en andersom,
zonder ooit langs B, C en de rest te hoeven komen.
Dan schiet het mij te binnen, dat God dit alles heeft bedacht
en weet ik dat het toch wel ergens toe dient,
deze verwarrende tocht door waken en vergeten.
WINTERSLAAP
Het uitspansel, zijn sterren,
de hemel en zijn vogels, en daaronder
de mogelijkheid van een zonsopgang.
De afstand die wij winter noemen, loopt af,
het onbeheerste wachten gaat voorbij
(maar kistdragers gaan nog sneller),
terwijl de uren onafgewerkt
in mijn handen blijven liggen.
’s Nachts doorwoel ik de wolken en scheur ze kapot.
Het leven schiet dan door me heen,
maar ik wil slechts één ding:
Mijn ogen openen en alles een stap voor zijn.
GEBOORTE
Het leven kwam mij plots te binnen
en met melkzielige handjes greep ik
in de dauw van mijn bestaan.
Mist hing boven het water;
mijn naam werd geroepen.
‘Ik moet griezelen,’
zei een onvrijwillige stem,
‘en niet korter dan een leven.’
DERDE WERELD
Het gekletter van messen en vorken
hangt laag boven de grond.
De korte roep van een kind in nood
vult een kleine holte in de lucht.
‘Waarom,’ vraagt de wind zich af,
‘heb ik het land ingesmeerd met honger?’
Er wordt vandaag met bloed gekookt.

ONAANTASTBAAR
Voordat ik ongeneeslijk oud ben,
mijn naam alleen nog maar
in rammelende klokjes door het water glijdt en
mijn botten in het maanlicht glinsteren,
zal ik eerst opstaan, vanuit mezelf, en dit zeggen:
Je haar is zo bruin als een nootje,
waar ook jouw lach uit komt gekropen,
zo zacht als de eekhoorn die hem vasthoudt
en wanneer je lip trilt
schudt een eendje het water uit zijn veren.
Je bent wel of niet van deze aarde, wat doet het ertoe.
Maar ik ben ook de minste niet.
Nacht na nacht zing ik hetzelfde lied,
ik houd een noot zo lang aan
tot hij zich ver uitstrekt en
zijn wezen zich laat bezien,
andere mensen kunnen dat gewoon niet.
Laat mij dus jouw wensencyclus
afronden en vervullen,
luister naar mijn toegankelijke woorden.
Verzet is zinloos en zelfs
zinlozer dan al die sterren.
WINTERDROOM
Ik moet zwijgen en mijn winterdroom
als een koude luchtstroom
door me heen laten gaan.
Het bijten dat ik ‘s zomers verrichtte,
- maar nu als handeling afgezonderd,
de betekenis ervan ontnomen -
in gedachten gaat het verder.
Ik ben sneeuwblind
en mijn herinneringen keren langzaam
naar de dingen terug.
Gedichten van Jason Veltmaat
GEVALLEN
Een joch, gesneuveld in de strijd,
Stroblond, met blauwe ogen.
Hij had zo weinig tijd – hem was zo weinig tijd gegeven,
Geen respijt, geen zinvol leven.
De einder zo dichtbij, zo smal,
De vijand naderbij – zo mal hoe hij daar viel,
Alsof hij spelend, plots geen zin meer had.
Het jong zijn moe en zat.

HEINZ PETRY
Een nieuwe dag, voetstappen in de dauw,
Verstikt geluid op een ontwakend pad,
Negen man; één bewaakt,
Dan vuur gebraakt uit koude lopen,
gevolgd door lood.
Geknield, de held, maar hij is dood.
In cellen waar de worm regeert,
Diep onder het gras zijn zij ondergebracht.
Daar wordt nu gewacht, gewacht op de dood.
En keer op keer klinken er schoten,
En naamloze mannen keren niet weer.

DAGLEED
“Moet ik nu weer in de rij staan?” vroeg hij.
Het was een kleine – niet de rij, maar de jongen.
De hand van zijn moeder, gegrepen door knuistjes,
hulpeloos zeulend in de sleur van het moment.
Getemperde ergernis boven omstandige voeten.
Kom joch, natte sproeten, wees een vent!
Kassa, loket, Lotto-schoentjes.
Di Basta staat niet in een rij.
Johan blijft thuis; elf zolen in de wei.
NIEUWJAAR
De wereld ligt onder,
Wit als winter, haast vergeten.
Met één veeg zie ik het aardse.
Nieuwe voetstappen, dwalend door
de schemering van het bestaan.
De eerste vlokken,
Een begin op wollen sokken.

DAT GOUDEN DING
Zijn de korenvelden waar ik vroeger speelde,
Manshoog, jongenshoog,
Voorgoed verdwenen?
Zijn de wouden, waar ik elke voetstap kende,
Verworden tot een bos,
Zonder het ongetemde rijk der fantasie,
Dat ik bestuurde?
Is de einder minder los; niet meer op zee?
Volg ik gedwee de slagen van de trom,
De golfslag van het leven?
Wreed is de jeugd voor later jaren,
Maar een zoekend hart blijft altijd varen.
Favoriete gedichten
BOY AT THE WINDOW – Richard Wilbur, 1956
Seeing the snowman standing all alone
In dusk and cold is more than he can bear.
The small boy weeps to hear the wind prepare
A night of gnashings and enormous moan.
His tearful sight can hardly reach to where
The pale-faced figure with bitumen eyes
Returns him such a god-forsaken stare
As outcast Adam gave to paradise.
The man of snow is, nonetheless, content,
Having no wish to go inside and die.
Still, he is moved to see the youngster cry.
Though frozen water is his element,
He melts enough to drop from one soft eye
A trickle of the purest rain, a tear
For the child at the bright pane surrounded by
Such warmth, such light, such love, and so much fear.
From: INTIMATIONS OF IMMORTALITY – William Wordsworth
What though the radiance which was once so bright
Be now forever taken from my sight,
Though nothing can bring back the hour
Of splendour in the grass, of glory in the flower;
We will grief not, rather find
Strength in what remains behind;
In the primal sympathy
Which having been must ever be;
In the soothing thoughts that spring
Out of Human suffering;
In the faith that looks through dead,
In years that bring the philosophic mind.